Lucas 18,9-14

Inleiding

Deze perikoop volgt direct op Lucas 18,1-8, die vorige week op het leesrooster stond. Daar ging het om het bidden als volharding in het geloof dat recht zal geschieden, zoals de weduwe volhardde in haar lastig vallen van de onrechtvaardige rechter. Ook deze perikoop gaat over bidden. Maar nu is de vraag: hoe bid je? Hoe spreek je God, de rechtvaardige rechter, aan?

Vertaling

18, 9
Maar hij vertelde ook tegen enkelen
die dachten dat zij zelf rechtvaardig waren1 en die de anderen verachtten,
deze gelijkenis:
10
Er waren twee mensen die naar de tempel kwamen om te bidden,
de ene was een Farizeeër,
de ander een tollenaar.
11
Staande bad de Farizeeër bij zichzelf2:
God, ik dank u dat ik niet ben zoals de andere mensen,
dieven, goddelozen, overspeligen,
of ook zoals die daar, de tollenaar.
12
Ik vast twee keer van sabbat tot sabbat3,
ik sta een tiende af van alles wat ik verwerf4.
13
De tollenaar echter, ver weg staande5,
wilde zijn ogen niet eens opslaan naar de hemel
maar stompte zich op de borst en zei:
God, wees mij, zondaar, genadig!6
14
Ik zeg jullie,
deze keerde gerechtvaardigd7 terug naar huis, langs de ander8;
want wie zichzelf groot maakt, wordt klein gemaakt,
maar wie zichzelf klein maakt9, wordt groot gemaakt.

Noten

  1. Ik lees “peithoo” hier met de negatieve bijklank waarop Liddell & Scott duidt: je bent weliswaar overtuigd, maar dat slaat nergens op.↩︎
  2. Met ‘pros’ voor ‘heauton’ neemt Lucas het ‘pros’ van vers 9 weer op, schrijft Harry Pals. In vers 9 vertelt Jezus “tegen” (of: tot) de mensen die zichzelf rechtvaardig achten; de Farizeeër bidt dan tegen zichzelf, met andere woorden, vooral voor de eigen oren. En de tollenaar?↩︎
  3. Harry Pals vertaalt: “sabbatsperiode” en merkt op dat het woord “sabbat” uit de tekst in geen enkele vertaling terugkomt. Met “sabbatsperiode” wordt waarschijnlijk een week bedoeld, de periode van sabbat tot sabbat.↩︎
  4. Franc de Ronde merkt hierbij op, dat de Farizeeër die tienden afdraagt aan de tempel, en daarmee het goede recht heeft verworven om daar te staan.↩︎
  5. Franc de Ronde: “Het ‘van verre staan’ is een terugkerend thema in dit gedeelte van Lucas. Van de vader wordt in Lucas 15,20 gezegd dat hij zijn verloren zoon van verre ziet en ook van de 10 melaatsen lezen wij dat ze van verre blijven staan (Lucas 17,22)”↩︎
  6. ἱλάσθητί μοι: Volgens Liddell & Scott een heel gebruikelijke manier van zeggen, dus geen mooisprekerij.↩︎
  7. Denk hier ook aan God als rechtvaardige rechter, uit het begin van dit hoofdstuk. De pointe was daar: houdt vertrouwen, blijf bidden om gerechtigheid! Hier is de vraag: hoe bid je dan? Hier worden degenen in de gemeente die voor hun eigen oren bidden, onderscheiden van wie in hun gebed werkelijk een beroep doen op God — zoals de weduwe op de onrechtvaardige rechter in het begin van dit hoofdstuk.↩︎
  8. “De vertaling van para is bijna niet te doen”, schrijft Harry Pals. Het beeld dat de tekst oproept, lijkt mij dat de twee mannen, die op grote afstand van elkaar hebben staan bidden, elkaar daarna passeren als ze naar huis gaan. Hun wegen lopen even parallel, maar de een keert gerechtvaardigd terug naar huis.↩︎
  9. Ik denk (eigenlijk: ik hoop) dat dit wordt bedoeld. Vernederen is weer iets anders, en jezelf vernederen al helemaal.↩︎
Scroll naar boven