Johannes 9
- Vierdag: 15-3-2026, 4e van de veertigdagen
- Boek: Johannes
- Perikoop: Johannes 9,1-39
- Vertaler: Jaap Goorhuis
Vertaling
1
Terwijl hij voorbij ging zag hij een mens die blind was vanaf geboorte.
2
Zijn leerlingen vroegen hem: rabbi, wie heeft er gezondigd, Hij of zijn ouders dat hij blind geboren is.
3
Jezus antwoordde: noch hij heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar opdat de werken van God openbaar zouden worden in hem.
4
Wij moeten de werken van degene die mij gezonden heeft verrichten zolang het dag is. De nacht komt dat niemand in staat is (iets) te verrichten.
5
Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld.
6
Toen hij dat gezegd had, spuugde hij op de grond en maakte slijk met het speeksel en zalfde zijn slijk op de ogen.
7
Hij zei tegen hem: ga naar bad van Siloam, dat vertaald wordt met gezondene. Hij ging, waste zich en kwam ziende (terug).
8
De buren en zij die eerder gezien hadden dat hij een bedelaar was, zeiden: is dat niet degene die zat te bedelen?
9
Anderen zeiden: dat is hij. Weer anderen: nee, hij lijkt op hem.
Hij (zelf) zei: ik ben het.
10
Zij zeiden tegen hem: hoe zijn jouw ogen geopend?
11
Hij antwoordde: een mens die Jezus heet, heeft slijk gemaakt en heeft mijn ogen gezalfd en hij zei tegen mij: ga naar Siloam om je te wassen.
Ik ging weg toen ik mij gewassen had kon ik zien.
12
Zij zeiden tegen hem: waar is hij?
Hij zegt: ik weet het niet.
13
Zij brachten hem die vroeger blind was bij de Farizeeën.
14
Het was sabbat de dag waarop Jezus het slijk gemaakt had en hem de ogen geopend had.
15
Opnieuw vroegen de Farizeeën hem hoe hij kon zien. Hij zei hen: hij legde slijk op mijn ogen en ik waste me en kan zien.
16
Sommige Farizeeën zeiden toen: die mens is niet van God, want hij bewaart de sabbat niet.
17
Opnieuw zeggen zij tegen de blinde: jij, wat zeg jij over hem omdat hij jouw ogen geopend heeft? Hij zei: hij is een profeet.
18
Maar de Judeeërs geloofden niet dat hij blind was en weer kon zien, totdat zij de ouders hadden geroepen van hem die ziende was geworden.
19
Zij (onder)vroegen hen en zeiden: is dit uw zoon waarvan u zegt dat hij blind geboren is? Hoe kan hij nu dan zien?
20
Zijn ouders antwoordden: wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is.
21
Hoe hij nu kan zien weten we niet en wie zijn ogen geopend heeft, wij weten het niet. Vraagt het hem, hij heeft de leeftijd, hij zal voor zichzelf spreken.
22
Dat zeiden zijn ouders omdat zij bang waren voor de Judeeërs. Want de Judeeërs waren het erover eens dat iemand die hem als gezalfde zou belijden uit de synagoge gezet zou worden.
23
Daarom zeiden zijn ouders: hij heeft de leeftijd, ondervraagt hem zelf.
24
Toen riepen zij de mens die blind was en zeiden tegen hem: geef God eer; wij weten dat die mens een zondaar is.
25
Hij antwoordde: of hij een zondaar is weet ik niet. Een ding weet ik: dat ik blind was en nu kan ik zien.
26
Zij zeiden tegen hem: wat heeft hij jou gedaan? Hoe heeft hij jouw ogen geopend?
27
Hij antwoordde hen: ik heb het al gezegd, maar jullie luisteren niet. Waarom willen jullie het opnieuw horen? Willen jullie soms leerlingen van hem worden?
28
Maar zij scholden hem uit en zeiden: jíj bent een leerling van hem, maar wíj zijn leerlingen van Mozes.
29
Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar waar die vandaan komt weten we niet.
30
De mens antwoordde en zei tegen hen: hierin ligt toch het verbazingwekkende dat jullie niet weten vanwaar hij is en hij mijn ogen geopend heeft.
31
Wij weten dat God niet naar zondaars luistert. Maar wanneer iemand godvrezend is en zijn wil doet, naar die luistert Hij.
32
In der eeuwigheid is het niet gehoord dat iemand de ogen geopend heeft van iemand die blind geboren is.
33
Als die (mens) niet van God kwam had hij niets kunnen doen.
34
Zij antwoordden hem: geheel en al in zonden ben jij geboren en jij onderwijst ons? En zij gooiden hem buiten.
35
Jezus hoorde dat zij hem eruit gegooid hadden. Hij vindt hem en zegt:
jij, geloof jij in de mensenzoon?
36
Hij antwoordde en zei: en wie is dat heer, dat ik in hem gelove?
37
Jezus zei tegen hem: jij hebt hem gezien en die met je spreekt, die is het.
38
Hij zei: ik geloof Heer en hij knielde voor hem neer.