Matteüs 9,35 – 10,15
- Vierdag: 14-6-2026, 2e na Trinitatis
- Boek: Matteüs
- Perikoop: Matteüs 9,35-10,15
- Vertaler: Eddy Reefhuis
Inleiding
Matteüs 10,5 vv. is de zendingsrede van Jezus (zie exegetische kanttekening 1). Daarin worden de twaalf apostelen opgeroepen zich toe te vertrouwen aan de van God gegeven werkelijkheid, Gods koningschap. In 9,35 vv. blijkt die in te houden, dat de massa’s niet langer opgejaagd en afgedankt zijn, maar schapen die een herder krijgen, en een oogst die wordt binnengehaald. Anders gezegd: ze worden niet beoordeeld naar hun gemis maar naar hun mogelijkheden. Aan de apostelen de opgave om die binnen te halen. Voor die oogst zijn deze arbeiders wel onmisbaar, maar ze zijn niet de heer van die oogst, ze maken eerder onderdeel uit van het zelfde proces. Ook hun gereedschap hebben ze niet van zichzelf. Dat is dat evangelie van het naderende koningschap dat werkelijkheid wordt in het genezen van alle ziekte en zwakheid.
Vertaling
Exegetische kanttekeningen
- Matteüs 10, 5vv is de tweede van Jezus’ vijf grote redes in Matteüs (hfst. 5-7 bergrede, hfst. 10 zendingsrede, hfst. 13 gelijkenissenrede, hfst. 18 gemeenterede, hfst. 24-25 eschatologische rede; steeds afgesloten met ‘het gebeurde toen Jezus deze woorden voltooid had’ (7,28; 11,1; 13,53; 19,1; 26,1).
- Uit de voorafgaande verzen 9,35-36 blijken de opgejaagde en afgedankte massa’s de doelgroep, en de ommekeer, dat die niet langer worden beoordeeld op hun gemis maar op hun mogelijkheden. Daartoe worden ze van alle ziekte en zwakheid genezen.
- In 9, 37-38 blijken dan net als in Matt. 5,1 de leerlingen de aanspreekbare voorhoede van die massa’s. Zij worden uit die massa’s naar voren geroepen om die ommekeer van gemis naar mogelijkheden gestalte te geven. Dat hoeven ze niet op eigen kracht te doen, deze heer deelt zijn gaven voluit met hen, zowel zijn beloftevolle woorden als de heilzame gevolgen daarvan.
- Van de twaalf met name genoemde apostelen valt zowel hun onderlinge band op – ze worden in tweetallen genoemd, de eerste tweetallen heten ook voluit broers; wat is de onderlinge band van de overigen? – als hun verscheidenheid: Jakobszonen (Simeon, Juda) of ook zelf naar Jakob genoemd, maar ook evident Griekse namen als Andreas en Filippus; een tollenaar en wellicht een paar opstandelingen, van verschillende groepen dan ook nog.
- Hun opdracht is nadrukkelijk op ‘Israël’ gericht. Dat wijst zowel op een reëel bestaand volk als op de belofte die dat kent. Behalve ‘think globally, act locally’ kun je er ook een verwijzing naar de profetie van Jeremia 50 in horen, die terugkeer uit de ballingschap aankondigt, in mijn woorden: niemand wordt afgeschreven.
- In de reeks helende kwaliteiten van het evangelie valt ‘wek doden op’ – alleen bij Matteüs. Dit is ook de enige plaats in NT waar ‘opwekken uit de doden’ niet aan God of de Geest wordt toegeschreven, of, in Joh. 11 bij Lazarus, aan Jezus. Sinds Ezechiël 37 is opstanding uit de dood altijd ook of allereerst symbolisch. Niet om het wonder kleiner te maken maar om aan te geven hoe groot het wonder is van wat er soms in ons leven gebeurt – terugkeer uit de ballingschap destijds, bevrijding uit ongeloof dat het niet anders kan nu, bijvoorbeeld.
- Onderzoeken wie (‘welk huis’ – mensen leven samen) dit naderende koningschap waard is moeten ze doen met wat ik zou omschrijven als vertrouwen. Alleen ontbreekt dat woord, dat Matteüs echt wel kent, hier ten enenmale. Maar misschien zijn ‘deze kleinen’, zoals ze in vs. 42 heten, dezelfde als ‘deze kleinen die in mij geloven/vertrouwen’ in 18,6.
- Deze perikoop eindigt met een hard oordeel over wie hen niet willen ontvangen. Het loon dat volgt waar ze wèl ontvangen worden, komt pas aan het eind van deze rede, in vs. 42.