Matteüs 4,12-25

Inleiding

Samen met de andere lezingen voor deze derde zondag na Epifanie, Jes. 49, 1-7 en 1 Kor. 1, 1-9, lijkt roeping het thema, waar ook deze evangelielezing in past. De antwoord-psalm, 139, 1-12, legt daarbij nadruk op het wonderlijke en veel omvattende van die roeping.

In de tekst zelf staat dat roepen in een rij die begint met overleveren en uitloopt op volgen, eerst van twee stel broeders, en uiteindelijk van hele menigten. Daarvoor moet je wel doorlezen tot vs. 25.

Tussen dat overleveren en dat roepen klinkt dan ook nog de stem van de profetie, die deze perikoop in het licht zet van de verrassende heilsbelofte uit Jesaja 8 — 9.

Voor deze vertaling heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de eerdere vertalingen van deze perikoop van Leen de Ronde (37-1-2008), Machteld van Woerden (23-1-2011), Harry Pals (26-1-2020) en Frans Wiersma (30-1-2011).

Vertaling

12
Toen hij hoorde dat Johannes overgeleverd1 was
week hij uit2 naar Galilea.
13
Hij verliet Nazareth en ging wonen in Kafarnaum aan zee,
in de streken van Zebulon en Naftali,
14
zodat vervuld werd wat gesproken is door Jesaja de profeet3:
15
land van Zebulon en land van Naftali,
weg langs zee, over de Jordaan,
Galilea van de volken:
16
het volk dat zit in duisternis
ziet een groot licht,
en wie zitten in een gebied in de schaduw van de dood,
voor hen is een licht opgegaan!
 
17
Vanaf toen begon Jezus te verkondigen en te zeggen4:
keer je om!
want nabijgekomen is het koningschap5 van de hemelen6!
18
Rondwandelend langs de zee van Galilea zag hij twee broeders7,
Simon, die Petrus genoemd wordt,
en Andreas, zijn broeder,
een werpnet8 uitwerpen in de zee
want zij waren vissers.
19
En hij zei tegen hen:
hierheen, achter mij aan,
ik zal jullie vissers maken van mensen!
20
Zij lieten direct de netten achter en volgden9 hem.
21
En vandaar verdergaand zag hij twee andere broeders,
Jakobus van Zebedeüs en zijn broeder Johannes,
in het schip met hun vader Zebedeüs hun netten in orde brengen
en hij riep hen.
22
Zij lieten direct het schip en hun vader achter en volgden hem.
 
23
Hij trok rond in heel Galilea,
gaf onderricht in hun synagogen,
verkondigde het goede nieuws van het koningschap
en genas elke ziekte en elke kwaal onder het volk.
 
24
Het gerucht over hem ging uit in heel Syria10
en ze brachten allen bij hem die er slecht aan toe waren,
door allerlei ziekte en pijnen gekweld,
bezetenen, maanzieken en verlamden,
en hij genas hen.
 
25
Grote menigten11 volgden hem
vanaf Galilea, Dekapolis, Jeruzalem, Judea en over de Jordaan.

Exegetische kanttekeningen.

1 Deze perikoop maakt deel uit van de concentrisch gestructureerde hoofdstukken 2 — 11 van Matteüs, waarin de hoofdstukken 3 en 4 (Johannes de Doper, onderscheiden van de geesten, roeping van de leerlingen, de menigte) en 10 en 11 (dezelfde thema’s in omgekeerde volgorde) de hoofdstukken 5 — 9 omringen, de Bergrede (5- 7) en een reeks genezingen (8 — 10). Die combinatie wordt in 4, 23 aangekondigd.

2 De overlevering van Johannes is na de kindermoord in hoofdstuk 2 de tweede lijdensaankondiging — dit evangelie stuit op weerstand van de machthebbers.

3 Het citaat uit Jesaja is het slot van de Immanuëlprofetie (Jes. 5,1-9,6) waarvan in Matt. 1,23 de kern is geciteerd. Waar in Jesaja de zinnen over Zebulon enz. erop duiden, dat deze profetie in Jeruzalem tot aan de einden van het land reikt, onderstrepen ze hier de omgekeerde route: hier begint dit evangelie in de periferie om uiteindelijk ook Jeruzalem te bereiken.

4 In Jesaja is dat licht in het duister de geboorte van het Davidische koningskind, hier is het de aankondiging van het koningschap van de hemelen. Die verbreding ligt in de lijn van Jesaja’s profetie, waar in de tweede helf van het boek de rol van deze Davidszoon niet door een koning wordt vervuld maar door een knecht.

5 Dat het koningschap der hemelen nabij is gekomen betekent zowel dat het al is begonnen als dat het nieuwe verwachtingen wekt.

6 Die relatie tussen heden en nieuwe toekomst krijgt vorm in de roeping van de leerlingen: dat ze vissers van mensen worden sluit aan bij wat ze doen maar geeft daar een nieuwe inhoud aan.

Noten

  1. Eerste keer in Matt. Ook in dit opzicht gaat Johannes de weg die Jezus na hem gaat. In Matt. alleen in de betekenis van gevangen nemen.↩︎
  2. ‘Uitwijken’ is vanaf Matt. 2,14 (maar zie ook de beweging van de magiërs in 2, 12.13) tot 15,21 de beweging die Jezus maakt om te voorkomen dat hij heimelijk wordt omgebracht. Vanaf 16,21 maakt hij dan de beweging naar Jeruzalem toe, om daar in het openbaar te worden gedood — en op te staan (met dank aan Breukelman).↩︎
  3. Jes. 8,23-9,1↩︎
  4. Wat volgt is exact dezelfde boodschap als die van Johannes in 3,2. Jezus’ uitwijken betekent dus niet dat hij zich van Johannes distantieert, integendeel.↩︎
  5. Het gaat om een regime, niet om een gebied↩︎
  6. ‘Koningschap van de hemelen’ alleen bij Matt. (Mk. Lk. koningschap van God). In de rabbijnse traditie heet het doen van de Thora ‘het juk van het koningschap van de hemelen op je nemen’. De eschatologische dimensie is, dat uiteindelijk alle volken dit zullen doen.↩︎
  7. αδελφος wordt meestal fig. gebruikt voor naaste, volksgenoot.↩︎
  8. αμφιβληστρον, alleen hier in NT. Het gangbare woord voor net, δικτυον, in vs. 20, 21. αμφιβληστρον ιn LXX in Hab. 1, 15.16.17, waar ‘de mensen’ worden vergeleken met vissen, die door de Chaldeeën als straffend instrument van God worden gevangen in hun netten; in Pred. 9,12 beeld voor hoe mensen door kwade tijd worden overvallen, voorspoed geen verdienste is maar afhangt van tijd en toeval.↩︎
  9. ‘Volgen’ is ook de term voor leerling zijn. In dit hoofdstuk verder nog in vs. 22 (Jakobus en Johannes) en vs. 25 (vele menigten).↩︎
  10. landstreek, Romeinse provincie van de Middelandse Zee tot aan de Eufraat.↩︎
  11. De eerste keer dat de menigten voorkomen in het evangelie. In het volgende vers, 5,1 zijn zij het beoogde publiek van de Bergrede↩︎
Scroll naar boven