Mattheüs 26-27

Inleiding

Dit lange stuk is een ketting van citaten uit Tenach en andere bronnen. Zoveel mogelijk heb ik geprobeerd die weer te geven. Ik heb weinig aandacht gehad voor de vele tekstvarianten, maar hier en daar zijn toevoegingen zichtbaar tussen [vierkante haken]. Ik ben niet ingegaan op de vragen die de chronologie kan oproepen: er gebeurt wel erg veel in twee (?) dagen. Ik ben er niet achter gekomen waar de verwijzing in Mat. 27:29 (noot 90) naar verwijst: weet iemand om welk boek het gaat bij 4 Susanna 46?

Vertaling

26,1
Toen Jezus al deze uitspraken1 beëindigd had, zei Hij tegen zijn leerlingen:

2
’Jullie weten dat het over twee dagen Pesach is.
Dan wordt de Mensenzoon uitgeleverd
om gekruisigd te worden.’2
 

3
Ondertussen kwamen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in de vergaderzaal3 van de hogepriester, Kajafas.

4
Daar beraamden ze het plan om Jezus door middel van een list op te pakken
en te doden.

5
Ze zeiden:
’Maar niet op het feest,
want dan komt het volk in opstand.’4
 

6
Toen Jezus in Betanië was gekomen in het huis van Simon de melaatse

7
kwam er een vrouw naar Hem toe.
Ze had een albasten flesje met zeer kostbare olie bij zich
en goot die uit over zijn hoofd terwijl hij aanlag.

8
Toen ze dit zagen ergerden de leerlingen zich
en zeiden:
’Waarom deze verspilling?

9
Want dit had duur verkocht kunnen worden,
en dan aan de armen worden gegeven.’
 

10
Jezus merkte het en zei:
’Waarom vallen jullie deze vrouw lastig?
Want zij heeft een goede daad voor mij gedaan.

11
De armen zijn immers altijd bij jullie5,
maar Ik ben niet altijd bij jullie.

12
Want doordat zij die olie over Mijn lichaam uitgoot,
heeft ze mijn begrafenis voorbereid.

13
Voorwaar, ik zeg jullie:
overal waar in de hele wereld het goede nieuws wordt uitgeroepen6,
daar zal ook gesproken worden ter herinnering aan haar7
over wat zij heeft gedaan.’
 

14
Daarop ging een van de twaalf, Judas Iskariot genaamd, naar de hogepriesters8

15
en zei:
‘Wat zouden jullie mij willen geven als ik Hem aan jullie uitlever?’
Ze stonden hem dertig sjekel zilver toe9.

16
Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
 

17
Op de eerste dag van het Feest van het Ongedesemde Brood10 kwamen de leerlingen naar Jezus toe en zeiden:
’Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen
zodat U het pesachmaal kunt eten?’

18
Hij zei:
’Ga de stad in naar een zeker persoon11
en zeg hem:
“De meester zegt:
’Mijn tijd is nabij;
Bij u houd Ik het Pesach met mijn leerlingen.’“’

19
De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen
en bereidden de Pesach voor.
 

20
Toen de avond was gevallen,
lag Hij samen met de twaalf aan de tafel.

21
Onder het eten zei Hij tegen hen12:
’Voorwaar, Ik zeg jullie:
een van jullie zal Mij overleveren13.’

22
Diep bedroefde begonnen zij de een na de ander Hem te vragen:
‘Ik ben het toch niet, Heer?’

23
Hij gaf als antwoord:
’Hij die tegelijk met Mij zijn hand in de schaal doopte,
die zal Mij overleveren.

24
De Mensenzoon zal heengaan
zoals over Hem geschreven staat:
“maar wee die mens door wie de Mensenzoon overgeleverd wordt:14
het zou beter voor hem zijn als die mens nooit geboren was.”’

25
Toen gaf Judas, die Hem zou uitleveren, nog als antwoord:
‘Ik ben het toch niet, rabbi?’
Jezus antwoordde:
‘Jij zegt het.’
 

26
Terwijl zij aten15
nam Jezus een brood,
en nadat hij het zegengebed16 had uitgesproken,
brak Hij het17
en nadat hij het de leerlingen had gegeven
zei Hij:
‘Neem, eet, dit is mijn lichaam.’

27
En nadat Hij een beker nam,
sprak Hij ook het dankgebed uit,
gaf hun de beker en zei:
’Drink allen hieruit,

28
want dit is mijn bloed18 van het verbond19,
dat voor velen wordt vergoten tot vergeving van zonden20.

29
Ik zeg jullie:
vanaf nu zal Ik zeker niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken,
tot die dag dat Ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn Vader.21
 

30
Nadat ze de lofzang hadden gezongen22,
vertrokken ze naar de Olijfberg.

31
Daarop zei Jezus tegen hen23:
’Jullie zullen allen Mij afvallen,
want er staat geschreven:
“Ik zal de herder slaan24,
en de schapen van de kudde zullen uiteengedreven worden25.”

32
Maar nadat Ik uit de dood ben opgewekt,
zal Ik jullie voorgaan naar Galilea26.’

33
Petrus zei daarop tegen Hem:
’Al zou iedereen U afvallen,
ik zal u nooit afvallen27!’

34
Jezus antwoordde hem:
’Voorwaar, Ik zeg je:
tijdens deze nacht, voordat de haan gekraaid heeft, zul jij Mij driemaal verloochenen28.’

35
Petrus zei tegen hem:
’Al zou ik met U moeten sterven,
verloochenen zal ik U nooit.’
Alle leerlingen zeiden hetzelfde.
 

36
Daarna kwam Jezus met zijn leerlingen op een plek29
die Getsemane genoemd werd.
En Hij zei tegen zijn leerlingen:
’Blijven jullie hier zitten,
totdat Ik ben vertrokken om daar te bidden.’

37
Hij nadat Hij Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee had genomen.
begon Hij bedroefd en angstig30 te worden,

38
zei Hij tegen hen:
’Ik ben diepbedroefd, tot stervens toe31.
Blijf hier met Mij waken.’
 

39
Nadat Hij nog een stukje verder gelopen was,
viel Hij biddend op zijn gezicht
en zei:
’Mijn Vader, als het mogelijk is,
laat deze beker32 dan aan Mij voorbijgaan!
Echter niet zoals Ik het wil,
maar zoals U het wilt33.’

40
Hij kwam bij de leerlingen
en vond hen slapend34.
Hij zei tegen Petrus:
’Waren jullie dan niet in staat om één uur met Mij te waken?

41
Blijf wakker35
en bid dat jullie niet in verleiding komen36;
de geest is wel gewillig,
maar het lichaam is zwak.’
 

42
Toen hij voor de tweede keer weer bij hen wegliep bad Hij:
’Mijn Vader, als het niet mogelijk is
dat Ik dit niet drink
laat het dan gebeuren zoals U het wilt37.’

43
Toen Hij terugkwam,
vond Hij hen weer slapend38,
want hun ogen waren zwaar geworden.

44
Hij liet hen achter,
ging weer wat verder
en bad voor de derde maal39, met dezelfde woorden als daarvoor.

45
Daarna kwam Hij weer bij de leerlingen
en zei:
’Liggen jullie daar nog steeds te slapen en te rusten?
Zie, het ogenblik is nabij en de Mensenzoon wordt overgeleverd aan zondaars40.

46
Sta op,
laten we gaan41;
kijk, hij die Mij uitlevert, is al vlakbij.’
 

47
Nog voor Hij uitgesproken was42,
Zie, Judas, een van de twaalf, kwam eraan en met hem een grote menigte,
met zwaarden en knuppels,
namens de hogepriesters en de oudsten van het volk43.

48
Degene die Hem zou uitleveren, had hen een teken gegeven:
‘Degene die ik zal kussen,’ had hij gezegd44,
‘die is het, grijp hem.’

49
Hij liep recht op Jezus af, zei:
‘Gegroet, rabbi!’
en kuste Hem.

50
Jezus zei tegen hem:
‘Vriend, ben je daarvoor gekomen?’
Daarop kwamen de mannen naar voren,
sloegen de handen aan Jezus
en namen Hem gevangen45.
 

51
En zie, een van Jezus’ metgezellen46 strekte zijn hand uit,
trok zijn zwaard47,
haalde uit naar de dienaar van de hogepriester
en sloeg hem een oor af.

52
Daarop zei Jezus tegen hem:
’Breng je zwaard terug op zijn plaats.
Want al wie het zwaard opneemt,
zal door het zwaard omkomen48.

53
Denk je soms
dat Ik mijn Vader niet te hulp kan te vragen
om Mij onmiddellijk meer dan twaalf legioenen engelen ter beschikking te stellen49?

54
Maar hoe zouden anders de Schriftwoorden vervuld worden,
dat het zo moet gebeuren?’

55
Op dat moment zei Jezus tegen de menigte:
’Alsof ik een rover ben
zijn jullie er met zwaarden en knuppels op uit getrokken
om Mij te arresteren!
Elke dag zat Ik in de tempel om onderricht te geven50,
en jullie hebben Mij toen niet opgepakt;

56
maar dit alles is geschied,
opdat de Schriften van de profeten vervuld zouden worden.’
 
Daarop verlieten alle leerlingen Hem51
en vluchtten weg.
 

57
Zij die Jezus gevangengenomen hadden52
leidden Hem voor aan Kajafas, de hogepriester
waar de schriftgeleerden en de oudsten bijeengekomen waren.

58
Petrus volgde Hem op een afstand, tot aan de vergaderzaal van de hogepriester,
en toen hij naar binnen gegaan was53 zat hij bij de bedienden
om de afloop te zien.
 

59
De overpriesters [en de oudsten] en heel de Raad zochten een valse getuigenverklaring tegen Jezus,
zodat zij Hem zouden kunnen doden,

60
maar zij vonden niets,
hoewel er vele valse getuigen naar voren kwamen.
Ten slotte kwamen er twee naar voren54

61
die zeiden:
’Die man heeft gezegd:
“Ik kan de tempel van God afbreken
en in drie dagen weer opbouwen55.”’

62
Nadat de hogepriester was opgestaan
zei hij tegen Hem:
’Geeft U geen antwoord op
wat dezen tegen U getuigen?’

63
Maar Jezus bleef zwijgen56.
De hogepriester zei tegen Hem:
’Ik vraag U onder ede bij de levende God:
zeg ons of U de Messias bent, de Zoon van God57.’

64
Jezus zei tegen hem:
’U zegt het.
Maar Ik zeg u:
vanaf nu zult u de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Machtige58,
komend op de wolken van de hemel.’
 

65
Hierop scheurde de hogepriester zijn mantel59
en hij zei:
’Hij heeft God gelasterd!
Waarvoor hebben we nog getuigen nodig?
Zie, nu hebben jullie zelf de godslastering60 gehoord.

66
Wat denkt u?’
Ze antwoordden:
‘Hij verdient de doodstraf!61
 

67
Daarop spuwden ze Hem in het gezicht
en sloegen Hem62.
Anderen stompten Hem

68
en zeiden:
’Profeteer dan maar eens voor ons, Christus,
wie is het die Je geslagen heeft?’
 

69
Petrus zat buiten de vergaderzaal63.
Er kwam een dienstmeisje naar hem toe,
dat zei:
‘Jij hoorde ook bij die Jezus de Galileeër!64

70
Maar hij ontkende dat waar iedereen bijzat:
‘Ik weet niet waar je het over hebt.’

71
Toen hij naar buiten ging door de poort,
zag een ander meisje hem.
Ze zei tegen de omstanders:
‘Die man was bij Jezus, de Nazoreeër!’

72
En opnieuw ontkende hij, met een eed:
‘Ik ken de man niet!’

73
Even later kwamen de omstanders naar Petrus toe,
ze zeiden:
’Jij bent wel degelijk een van hen,
trouwens, je accent verraadt je.’

74
Daarop begon hij te vloeken
en te zweren:
‘Ik ken die man niet!’
En meteen kraaide er een haan.

75
Toen herinnerde Petrus zich
de uitspraak die Jezus had gezegd:
’Nog voor de haan gekraaid heeft65,
zul jij Mij driemaal ontkennen.’
Hij ging naar buiten en huilde bitter66.
 

27,1
Toen het ochtend geworden was,67
namen al de overpriesters en de oudsten van het volk het besluit met betrekking tot Jezus
om Hem te doden68.

2
Nadat ze Hem geboeid hadden
leidden Hem weg
en leverden Hem over aan Pontius Pilatus, gouverneur.
 

3
Toen Judas, die Hem verraden had, zag69
dat Hij veroordeeld was,
kreeg hij berouw
en hij bracht de dertig sjekel zilver bij de overpriesters en de oudsten terug70

4
en zei:
‘Ik heb gezondigd door onschuldig bloed te verraden!71
Maar zij zeiden:
‘Wat gaat ons dat aan? Bekijk het zelf maar.’

5
En nadat hij de sjekel zilver de tempel in gegooid had,
vertrok hij.
Hij ging heen
en verhing zich72.

6
De overpriesters pakten de sjekel zilver
en zeiden:
’Het is niet passend die in de offerkist73 te leggen,
omdat het bloedgeld is74.’

7
En nadat zij overlegd hadden,
kochten zij daarvan de akker van de pottenbakker als begraafplaats voor vreemdelingen.

8
Daarom wordt die akker tot op de dag van vandaag Bloedakker genoemd.

9
Toen is de uitspraak van de profeet Jeremia vervuld, die zegt75:
’En zij hebben de dertig sjekel zilver genomen,
het bedrag waarop Hij geschat was
en dat ze hadden bepaald met de Israëlieten,

10
en zij hebben die gegeven voor de akker van de pottenbakker,
zoals de Heer mij had opgedragen76.’
 

11
Jezus stond voor de gouverneur77
en de gouverneur vroeg Hem:
‘U bent de Koning van de Joden?’
Jezus zei tegen hem:
‘U zegt het.78

12
Toen Hij door de overpriesters en de oudsten beschuldigd werd79,
antwoordde Hij niets80.

13
Daarop zei Pilatus tegen Hem:
‘Hoort U niet hoeveel zij tegen U inbrengen?’

14
Maar Hij antwoordde hem op geen enkele beschuldiging81,
zodat de gouverneur zich zeer verwonderde.
 

15
Nu had de gouverneur de gewoonte om op het pesachfeest één gevangene vrij te laten,82
en die door het volk te laten kiezen.

16
Ze hadden toen een beruchte gevangene, die [Jezus] Barabbas83 genoemd werd.

17
Toen zij dan bijeen waren, zei Pilatus tegen hen:
’Wie wilt u dat ik voor u zal loslaten, [Jezus] Barabbas
of Jezus, die Christus genoemd wordt84?’

18
Want hij wist
dat zij Hem uit afgunst overgeleverd hadden.
 

19
Toen hij op de rechterstoel zat85,
stuurde zijn vrouw hem een boodschap:
’Laat je toch niet in met deze Rechtvaardige86,
want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.’
 

20
Maar de overpriesters en de oudsten haalden de menigte over
dat zij om Barabbas zouden vragen
en Jezus zouden laten ombrengen.

21
De gouverneur antwoordde hun en zei:
‘Wie van deze twee wilt u dat ik voor u zal loslaten?87
Zij zeiden:
‘Barabbas.’

22
Pilatus zei tegen hen:
‘Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt?’
Zij zeiden allen:
‘Laat Hem gekruisigd worden!’

23
Hij zei:
‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?’
Maar zij schreeuwden alleen maar harder:
‘Laat Hem gekruisigd worden!88
 

24
Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte89,
maar dat er veeleer opschudding ontstond,
nam hij water,
waste zijn handen voor de ogen van de menigte90
en zei:
’Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige91.
Bekijken jullie het maar.’

25
En heel het volk antwoordde:
’Laat Zijn bloed maar komen over ons92 en over onze kinderen93!

26
Daarop liet hij Barabbas voor hen los,
maar nadat hij Jezus gegeseld had, gaf hij Hem over
om gekruisigd te worden.
 

27
Toen namen de soldaten van de gouverneur Jezus met zich mee naar het pretorium94
en verzamelden de cohort95 om Hem heen.

28
En toen zij Hem ontkleed hadden,
deden zij Hem een scharlakenrode mantel96 om,

29
ook vlochten ze een kroon van dorens,
zetten die op Zijn hoofd
en gaven Hem een rietstok in Zijn rechterhand.
Zij vielen op hun knieën voor Hem neer
en bespotten Hem met de woorden97:
‘Gegroet, Koning van de Joden!98

30
Nadat zij Hem bespuwd hadden, pakten ze de rietstok
en sloegen Hem op Zijn hoofd99.

31
En toen zij Hem bespot hadden,
trokken zij Hem de mantel uit,
trokken Hem zijn (eigen) kleren aan
en voerden Hem weg om Hem te kruisigen.
 

32
Toen zij op weg gingen, troffen zij een man uit Cyrene100 aan, genaamd Simon;101
die dwongen zij om Zijn kruis te dragen.
 

33
Toen ze kwamen bij de plek die Golgotha genoemd wordt, wat Schedelplaats betekent,

34
gaven zij Hem wijn vermengd met gal te drinken102;
maar toen Hij die geproefd had, wilde Hij niet drinken.
 

35
Nadat zij Hem gekruisigd hadden,
verdeelden zij Zijn kleren door het lot te werpen103,
[opdat vervuld zou worden wat gezegd is door de profeet:
’Ze hebben Mijn kleren onder elkaar verdeeld
en om Mijn kleding hebben ze het lot geworpen.’104]

36
En zij gingen zitten om Hem daar te bewaken.
 

37
En zij brachten boven Zijn hoofd een opschrift aan met de beschuldiging tegen Hem:
DIT IS JEZUS, DE KONING VAN DE JODEN.
 

38
Toen werden met Hem twee rovers gekruisigd105,
een aan Zijn rechter-, en een aan Zijn linkerzijde.
 

39
De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe106
en dreven de spot met Hem:

40
’Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt107,
verlos jezelf.
Als je de Zoon van God bent108,
kom dan van het kruis af!’

41
En evenzo spotten ook de overpriesters,
samen met de schriftgeleerden en de oudsten en de Farizeeën,
en zij zeiden:

42
’Anderen heeft Hij gered,
maar Zichzelf kan Hij niet redden109.
Als Hij de Koning van Israël is110,
laat Hij nu van het kruis afkomen
en wij zullen Hem geloven.

43
Hij heeft op God vertrouwd;
laat Die Hem nu verlossen als Hij Hem welgezind is111,
want Hij heeft gezegd:
“Ik ben Gods Zoon112.”’
 

44
Ook de rovers die met Hem gekruisigd waren verweten Hem hetzelfde.113
 

45
En vanaf het zesde uur kwam er duisternis over het hele land114, tot het negende uur toe.115

46
Ongeveer op het negende uur riep Jezus met een luide stem:
‘Eli, Eli, lama sabachtani?116
Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

47
Sommigen van hen die daar stonden, toen zij dit hoorden, zeiden:
‘Hij roept Elia.’

48
En meteen snelde een van hen toe,
nam een spons gedrenkt in azijn117,
stak hem op een stok
en gaf Hem te drinken.

49
Maar de anderen zeiden:
‘Laat maar, laten wij kijken of Elia komt om Hem te redden.’
[Een ander nam een speer en doorstak zijn zijde en kwam water en bloed naar buiten.]

50
Nadat Jezus weer een luide schreeuw had gegeven gaf Hij de geest.
 

51
En zie,
het voorhangsel118 van de tempel werd van boven naar beneden in tweeën gescheurd;
het land beefde119 en de rotsen spleten;

52
ook werden de graven geopend120
en veel lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt121;

53
na Zijn opwekking gingen zij uit de graven122,
kwamen in de heilige stad
en zijn aan velen verschenen.
 

54
Toen de centurio en zij die met hem Jezus bewaakten, de aardbeving en de dingen die gebeurden zagen,
werden zij erg bevreesd
en zeiden:
‘Werkelijk, Gods Zoon was Hij!123
 

55
En er waren daar veel vrouwen,124
die van een afstand toekeken;
zij waren Jezus gevolgd vanaf Galilea om Hem te dienen.

56
Onder hen waren Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Joses125,
en de moeder van de zonen van Zebedeüs126.
 

57
Toen het avond geworden was, kwam er een rijke man uit Arimathea,127
van wie de naam Josef was
en die ook zelf een leerling van Jezus was geworden.

58
Die was naar Pilatus gegaan
en vroeg om het lichaam van Jezus128.
Toen gaf Pilatus bevel
om het aan hem te geven.
 

59
Nadat Jozef het lichaam verkreeg,
wikkelde hij het in een schone linnen doek,

60
en legde het in zijn nieuwe graf,
dat hij in de rots uitgehakt had;
en nadat hij een grote steen voor de ingang van het graf gewenteld had129,
ging hij weg.
 

61
En daar was130 Maria Magdalena en de andere Maria, die tegenover het graf zaten.
 

62
De volgende dag, dat is na de Voorbereiding, kwamen de overpriesters en de Farizeeën131 bij Pilatus bijeen,

63
en zeiden:
’Heer, wij herinneren ons dat deze bedrieger132 gezegd heeft toen Hij nog leefde:
“Na drie dagen zal Ik opgewekt worden.”

64
Geef daarom bevel
dat het graf tot de derde dag toe beveiligd wordt,
misschien komen Zijn discipelen om Hem te stelen
en zeggen ze tegen het volk:
“Hij is opgewekt uit de doden.”133
En dan zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste134.’

65
Pilatus zei tegen hen:
’Hier hebt u een wacht135;
ga heen, beveilig het naar u goeddunkt.’

66
Zij gingen erheen
en beveiligden het graf door het te verzegelen136
en er bewakers bij te zetten.

Exegetische kanttekeningen

Hoewel Mattheüs op diverse plaatsen aangeeft dat er bij de overpriesters, schriftgeleerden en Farizeeën onvrede heerst over Jezus blijft het vreemd dat hij als dwaalleraar werd veroordeeld tot de dood. Zijn theologie lijkt door de autoriteiten begrepen te zijn als politiek gevaarlijk, maar daarvan is in het hele evangelie weinig te merken. Juist in het Jodendom gaat men graag met elkaar in gesprek en zijn doodvonnissen over vermeende dwaalleer zeldzaam. Wat was hier eigenlijk aan de hand? Een zelfgekozen martelaarschap?

Noten

Scroll naar boven