Matteüs 21,23-32

Inleiding

Matteüs 21 vertelt de intocht in Jeruzalem, waarbij de massa’s aan Jeruzalem uitleggen wat dit betekent: dit is de profeet Jezus van Nazareth in Galilea (21,11). Die omkering van de orde (Jeruzalem het centrum, Galilea daarvan de periferie) zet zich voort bij de tempelreiniging, waar het godsdienstig bedrijf eruit wordt gejaagd en blinden en lammen in plaats van uitgesloten worden genezen (21,14). Daartegenover wordt een vijgenboom die alleen maar bladeren heeft en geen vruchten alle toekomst ontzegd. Wanneer de religieuze en maatschappelijke elite komt vragen, wie er heeft gezegd dat hij dit mag doen, verwijst Jezus in zijn reactie opnieuw naar wat er gebeurt – wat vanuit de hemel is blijkt op aarde – en vraagt hen op zijn beurt waarom zij dat niet zien en daar gehoor aan geven.

Vertaling

23
Toen hij de tempel binnen was gekomen
kwamen terwijl hij onderwees
de overpriesters en oudsten van het volk naar hem toe en zeiden:
met welke bevoegdheid1doet u dit
en wie heeft u die bevoegdheid gegeven?

24
Jezus antwoordde hen:
ik zal ook jullie iets vragen, één vraag2,
en als jullie me die zeggen zal ik ook zeggen,
met welke bevoegdheid ik dit doe.

25
De doop van Johannes, vanwaar was die?
Uit de hemel of uit de mensen?
Ze overlegden onderling en zeiden:
als we zeggen: uit de hemel, zal hij tegen ons zeggen:
waarom hebben jullie hem niet geloofd?

26
maar als we zeggen: uit de mensen,
vrezen we de massa,
want allen houden Johannes voor een profeet.

27
Ze antwoordden Jezus:
we weten het niet.
Dus zei ook hij tegen hen:
ik zeg jullie ook niet met welke bevoegdheid ik dit doe.

28
Wat vinden jullie?
Iemand had twee kinderen.
Bij de eerste gekomen zei hij:
kind, ga vandaag werken in de wijngaard3

29
Die antwoordde:
wil ik niet
maar hij kreeg later berouw4 en ging.

30
Bij de tweede gekomen zei hij hetzelfde
en die antwoordde:
ik doe het, heer
en hij ging er niet heen.

31
Wie van de twee heeft de wil5 van zijn vader gedaan?
Ze zeggen:
de eerste.
Jezus zegt tegen hen:
echt, ik zeg jullie,
dat de tollenaars en de hoeren jullie voorgaan naar het koningschap van God.

32
Want Johannes kwam naar jullie langs de weg van gerechtigheid67,
en jullie geloofden hem niet,
maar de tollenaars en de hoeren geloofden hem;
maar toen jullie dat zagen hebben jullie niet later berouw gekregen
en zijn jullie hem gaan geloven.

Exegetische kanttekeningen

  1. De vraag naar de bevoegdheid is uiteraard een legitieme vraag. Des te opmerkelijker, dat Jezus zich hier niet verdedigt met de talloze citaten uit Tenach die je door heel het evangelie heen tegenkomt, maar verwijst naar wat hier op aarde gebeurt: de doop door Johannes en de gevolgen daarvan.
  2. De belangrijke rol van de massa in de argumentatie doet mij denken aan de manier waarop Salomo in 1 Kon. 1 koning wordt in plaats van Davids oudste zoon Adonia. Bij de kruisiging zal die steun van de massa niet erg betrouwbaar blijken. Is dat een reden om die hier nu ook te wantrouwen?
  3. De zoon die ja zegt maar nee doet komt ook in de rabbijnse traditie voor. Daarin is hij altijd beeld van het volk Israël. Waar dat op veel plaatsen Gods eerstgeborene heet, is het in de traditie vaak ook het kleinste van alle volken, dat pas nadat alle andere (grote) volken de thora hebben geweigerd (want dan mogen ze niet moorden en stelen en begeren), als laatste / kleinste de thora krijgt aangeboden en eigenlijk niet meer weigeren kan. In onze gelijkenis lijken die eersten zich dus te bekeren.
  4. De wil van de vader is in Matteüs vanaf het Onze Vader tot aan Gethsemane een beladen begrip. Samen met de al even geladen gerechtigheid lijkt die er niet op gericht, dat ieder het zijne krijgt (waarbij het hare wel eens wordt vergeten), maar dat wie erbuiten vallen, worden betrokken. In plaats van een eerlijke verdeling van wat er is, een verandering (ommekeer) zodat er genoeg blijkt voor iedereen – eerder delen dan afwegen wellicht.
  5. Op onze perikoop volgt de gelijkenis van de onwillige pachters. Uit deze gelijkenissen (vermoedelijk de onze inbegrepen) concluderen in 21,45 de overpriesters en Farizeeën (die hier de plaats van de oudsten in vs. 23 hebben overgenomen) dat Jezus hen bedoelt met die ene zoon en die onwillige pachters. Daarom willen ze hem grijpen, maar durven ze dat niet, omdat de massa’s hem voor een profeet houden – zie 21,11 en wat ze in 21,26 over Johannes zeggen.

Noten

Scroll naar boven