Johannes 11,1-46

Inleiding

  • Joh. 11 vertelt ons de laatste van de 7 tekenverhalen, die de structuur vormen van het eerste deel van dit evangelie. Dit laatste teken is ook de climax, nl. de opwekking van een dode (Lazarus), waarna definitief tot Jezus’ dood besloten wordt. ( 45-57). Dat dit laatste deel van onze lezing losgekoppeld is, lijkt me inhoudelijk niet juist.
  • Dat ‘Lazarus’ zich als metoniem van Israël laat lezen, lijkt me evident, mede vanwege de prominente plek die de Judeeërs vanuit Jeruzalem hier toebedeeld krijgen.
  • Maar welke typische (voor de lezer herkenbare) rol is er hier dan voor Martha en Maria weggelegd, zowel in hun relatie met Lazarus als tegenover Jezus?
  • Wat is de reden van Jezus’ woede (zie v. 33-38)? De NBV21 suggereert dat Jezus Maria en de Judeeërs het rouwen om Lazarus verwijt, als uiting van hun ongeloof. Is dit aannemelijk ook met het oog op Jezus’ eigen verdriet (v. 35)?
  • De opgewekte Lazarus moet losgemaakt worden, om vrij te zijn. Hoezo ?
     

Vertaling

11,1
Er was echter iemand ziek: Lazarus, van Bethanië,
uit het dorp van Maria en Martha, haar zuster.

2
Het was ook Maria1 die de Heer met mirre gezalfd,
en met haar haren op zijn voeten uitgewreven heeft,
wier broer, Lazarus, ziek was.

3
Toen zonden de zussen bericht naar hem uit:
Heer, zie, degene die je vriend is, is ziek!

4
Toen Jezus het echter hoorde, zei hij:
Deze ziekte is niet tot de dood,
maar omwille van de glorie van God,
opdat de Zoon van God glorie2 toe komt, hierdoor3!

5
Jezus echter had Martha lief met haar zuster en ook Lazarus.

6
Toen hij dus hoorde dat hij ziek is,
bleef hij dan op de plaats waar hij was nog twee dagen4.
 

7
Vervolgens zegt hij hierna, tot de leerlingen5:
Laten wij ons weer naar Judea begeven.

8
De leerlingen zeggen tot hem:
Rabbi, de Judeeërs zochten u onlangs te stenigen,
en u keert weer daarheen terug?

9
Jezus antwoordde:
Gaan er geen twaalf uren in een dag?
Als iemand overdag wandelt, stoot6 hij zich niet,
omdat hij het licht van deze wereld ziet!

10
Maar als iemand ´s nachts wandelt,
stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is.

11
Deze dingen heeft hij gezegd, en hierna zegt hij tot hen:
Lazarus, onze vriend, is te rusten gegaan,
maar ik ga op reis om hem uit de slaap te wekken.

12
Dus zeiden de leerlingen tot hem:
Heer, als hij rust, zal hij het redden 7!

13
Jezus had het echter gezegd over zijn dood,
zíj evenwel meenden: hij zegt het over de rust van de slaap.

14
Toen zei Jezus het dus vrijuit tot hen:
Lazarus is gestorven.

15
En vanwege jullie verheug ik mij, dat
opdat jullie zullen geloven,
ik daar niet was.
Maar laten wij ons tot hem begeven.

16
Toen zei Thomas, die Didymus (tweeling) genoemd wordt, tot de medeleerlingen:
Laten ook wij ons (daarheen) begeven, opdat wij met hem sterven!
 

17
Dus toen Jezus aankwam,
bevond hij (Lazarus) zich reeds vier dagen in het graf8

18
Bethanië echter was dichtbij Jeruzalem,
ongeveer op 15 stadiën9.

19
Velen uit de Judeeërs10 waren tot Martha en Maria gekomen,
om hen hun deelneming te betuigen11 om de broeder.

20
Martha dan, toen zij hoorde: Jezus komt!,
ging hem tegemoet,
Maria echter bleef thuis zitten.

21
Toen zei Martha tot Jezus:
Heer, als u hier was geweest,
zou mijn broer niet gestorven zijn!

22
Maar ook nu weet ik,
dat al wat u van God verlangt,
God het aan u zal geven.

23
Jezus zegt tot haar:
Je broer zál opstaan!

24
Martha zegt tot hem:
Ik weet, dat hij zal opstaan,
bij de opstanding ten laatste dage.

25
Jezus zei tot haar:
IK BEN12 de opstanding en het leven.
Wie in mij gelooft,
ook als hij zou sterven, die zál leven.

26
En ieder die leeft en gelooft in mij,
nee, die zal in eeuwigheid níet sterven!
Geloof je dit?

27
Zij zegt hem:
Zeker, Heer, dat geloof heb ik13,
dat u de Christus (Messias) bent, de Zoon van God,
die ter wereld komt.

28
En dit gezegd hebbend,
vertrok zij, riep haar zuster Maria,
en in stilte 14zei ze:
De meester15 is aanwezig en hij roept je.

29
En zij, toen zíj het hoorde,
kwam haastig overeind16,
en ging ze tot hem.

30
Jezus was echter nog altijd niet in het dorp (aan)gekomen,
maar nog steeds was hij op de plaats,
waar Martha hem ontmoet had.

31
Toen de Judeeërs,
zij die met haar in het huis zijn en haar hun deelneming geven,
zagen dat Maria ijlings opstond en vertrok,
volgden zij haar,
menend dat zij naar het graf gaat
om daar te rouwen
 

32
Toen Maria hem zag,
terwijl zij kwam waar Jezus was,
viel zij aan zijn voeten en zei tot hem:
Heer, als u hier was geweest,
zou hij, míjn broer, niet gestorven zijn17!

33
Jezus dan, toen hij haar zag rouwen,
en ook de rouwende Judeeërs, die met haar meekwamen,
brieste hij door de geest van woede18
en bij zichzelf ontregeld19, zei hij:

34
Waar hebben jullie hem gelegd?
Ze zeiden tot hem:
Heer, kom en zie!

35
Jezus brak in tranen uit!

36
Zodat de Judeeërs zeiden:
Je ziet wel hoeveel hij van hem hield!

37
Maar sommigen van hen zeiden:
Kon deze,
die de ogen van de blinde geopend heeft,
niet maken, dat ook deze niet sterven zou?

38
En Jezus, opnieuw briesend in zichzelf van woede,
komt dan bij de graftombe.
Het was evenwel een grot
waarop een steen gelegd was.

39
Jezus zegt: Neem die steen op!
De zuster van de overledene, Martha, zegt hem:
Heer, het riekt al! Want het is de vierde (dag).

40
Jezus zegt tot haar:
Heb ik jou niet gezegd,
dat, als je gelooft, je de glorie van God20 zal zien?

41
Zij namen dus de steen op.
en Jezus hief de ogen21 omhoog en sprak:
Vader, U zeg ik dank, dat U mij hebt gehoord.

42
Ik wist wel, dat U mij altijd hoort,
maar vanwege de menigte van omstanders, zei ik het,
opdat zij zouden geloven22, dat U mij hebt gezonden.

43
En toen hij dat gezegd had,
schreeuwde hij met luider stem:
Lazarus, – en nu eruit23!

44
En de gestorvene kwam uit,
aan handen en voeten met windsels gebonden,
zijn gezicht in een zweetdoek gewikkeld24
Jezus zegt tot hen:
Maak hem los en laat hem heengaan.

45
Velen van de Judeeërs die tot Maria waren gekomen25,
en opgemerkt hadden, wat hij deed,
gingen in hem geloven26,

46
sommigen echter van hen vertrokken naar de Farizeeën
en zeiden hen wat Jezus gedaan had.

Noten

Scroll naar boven