Exegetische kanttekeningen
Over dit visioen is veel geschreven. Een schitterend visioen, velen van ons zullen de sculptuur voor ogen hebben van die gespierde figuur die letterlijk zijn zwaard omsmeedt — het staat voor het gebouw van de Verenigde Naties, een geschenk van de voormalige Sovjetunie…
Het loont te kijken naar de werkwoordsvormen. De weqatal-vormen (vs. 2, 3, 4, 5) zijn eenduidig toekomend, maar worden afgewisseld met nogal wat imperativi (vs. 3, 5) en yiqtols (vs. 3) die iets meer tijdloos aangeven wat het geval is.
Het visioen lijkt slecht te passen in de context, want die is vanaf Jesaja 1:2 een en al oordeel over corrupte en gewelddadige leiders. Is het dan inderdaad een (veel) latere toevoeging van een profeet die dóór de ellende van verwoesting en ballingschap heen toch nog toekomst ziet? Zo Marjo Korpel, die het visioen situeert rond de vernietiging van Jeruzalem of in Ballingschap. Dat is zeker mogelijk, maar er staan meer verwachtingsvolle gedeelten in Jesaja (we lezen ze bijna allemaal in de Adventstijd, dat is dan wel weer een heel eenzijdige keuze).
De Sion, een bepaald niet opvallend hoge of grootse berg, zal het centrum van de wereld zijn, de eerste der bergen en heuvels (metaforen voor volken en volkjes, Karel Deurloo). De volkeren stromen ernaartoe, het motief dat ‘Völkerwallfahrt’ wordt genoemd. Verwar dat niet met eigendunk of grootheidswaan, maar zie het als de diepe overtuiging dat het heil van JHWH groter is dan dat het alleen voor dit ene volk zou zijn; het moet heel de wereld omvatten. Dat heil bestaat uit Thora, onderwijzing, en משׁפט, rechtspraak in de zin van rechtdoen-aan. De volkeren worden sprekend ingevoerd, en gaan dat visioen enthousiast delen, roepen elkaar op om mee te gaan doen. Het is dus meer dan een vrijblijvende toekomstdroom, het is een uitnodiging (denk aan de imperativi!) om zelf ook deel te nemen aan die beweging naar de toekomst, הלך, ‘gaan’, is motiefwoord.
De slotregel van vs. 4 over het niet meer leren van de oorlog: dat gaat om meer dan het sluiten van militaire academies, het gaat om de voorbereiding op oorlog die al een agressieve daad kan zijn die oorlog uitlokt. Die regel schuurt met het adagium si vis pacem para bellum, ‘wie vrede wil, moet zich op oorlog voorbereiden.’ Is dit alleen visioen, ‘ooit eens,’ of ook richtlijn voor het handelen? Kun je zonder voorbereiding op de strijd, is volkomen pacifisme de oplossing of is dat juist naïviteit? De voorganger moet hier wel aan de bak, in gesprek met de actualiteit!
Uiteindelijk, in vs. 5, wordt ook Juda opgeroepen zich aan te sluiten. Dat vers mag een andere herkomst hebben (de paralleltekst Micha 4:1-5 heeft het niet) maar het past wel heel goed, met weer het motiefwoord הלך, ‘gaan.’ Ook de ‘inner circle’ gaat tenslotte meedoen.