Hebreeën 8

Inleiding

In deze tekst gaat het over het oude en het nieuwe verbond. We kunnen hier volgen hoe Paulus dacht over het verschil tussen beide. Wie zijn de verbondspartners? Verschilt de inhoud, en hoe dan? Wat betekent het nieuwe verbond voor de rol van de priesters?

Vertaling

1
De slotsom van wat hier gezegd is:
deze hebben we als hogepriester
die rechts zit van de troon van de majesteit in de hemelen,

2
van de heilige plaatsen de beheerder1,
ook van de tabernakel, de waarachtige,
die is opgericht door de Heer, niet door een mens.

3
Elke hogepriester is immers voor het opdragen van geschenken en offers aangesteld,
dus was het nodig dat ook hij iets had dat hij kon opdragen.
 

4
Als hij nu op aarde was, dan zou zelfs hij geen priester zijn:
er zijn er al die naar de wet de gaven opdragen

5
die tot nabeeld en schaduw dienen van de hemelse,
zoals opgedragen aan Mozes toen die de tabernakel ging voltooien,
want: zie toe, sprak hij,
dat je alles maakt naar het voorbeeld dat ik je getoond heb op de berg.

6
Maar nu valt hem een heel andere dienst2 ten deel, en een betere:
hij is de bemiddelaar bij een verbond dat op betere toezeggingen is gesloten3.

7
Want als het eerste volmaakt4 was,
was er voor een tweede geen plaats gezocht.
 

8
Hij wijst hen immers op hun fouten5 en zegt:
Zie, de dagen komen – zegt de Heer –
dat ik met het huis van Israël
en het huis van Juda een nieuw verbond sluit,

9
niet op grond van6 het verbond dat ik heb gesloten met hun vaderen
op de dag dat ik hen bij de hand nam
om ze uit het land Egypte weg te leiden,
omdat zij zelf niet aan dat verbond hebben vastgehouden
en ook ik het verwaarloosd heb – zegt de Heer –

10
want dit is het verbond dat ik zal sluiten met het huis van Israël
na deze dagen – zegt de Heer –
mijn wetten schenkend in hun gedachten
en ook op hun harten zal ik ze schrijven,
en ik zal hen tot God zijn
en zij zullen mij tot volk7 zijn.

11
En zelfs elkaar zullen ze niet meer onderwijzen,
ieder zijn naaste en ieder zijn broeder:
Ken de Heer!
omdat allen van mij weten,
van de geringste tot de grootste onder hen,

12
omdat ik genadig zal zijn over hun ongerechtigheid
en ik me hun zonden niet eens meer tebinnen zal brengen.

13
En als hij zegt: nieuw,
heeft hij het eerste oud gemaakt,
en verouderd en ouderwets geworden
is het zo goed als vergaan.

Noten

Scroll naar boven