Hebreeën 6,13-20

Inleiding

Er is kennelijk een twijfelende gemeente, die de hoop aan het verliezen is en die haar hoop opnieuw moet leren richten op de beloften van de Messias. De auteur grijpt daartoe naar voorbeelden uit het verleden waarin God aanspoort om vol te houden.

Vertaling

6,13
Toen God een belofte deed aan Abraham1,
kon Hij niet zweren bij iemand groter dan hemzelf, Hij zwoer dus bij zichzelf2,

14
toen Hij zei:
ʻIk zal je heel gezegend zegenen
en veelvuldig vermenigvuldigen3

15
en zo heeft hij, door geduldig te wachten, de belofte verworven.

16
Want mensen zweren altijd bij een hogere macht4
en al hun twisten worden beslecht met een eed.

17
Daarom was God er nog meer op gebrand
om de erfgenamen van het verbond te bewijzen
dat Hij zijn onwrikbaar raadsbeluit garandeerde met een eed,

18
en wel door twee onveranderbare zaken5,
waarin God niet kan liegen6,
wij die gevlucht zijn hebben een krachtige bemoediging
door vast te houden aan de hoop die voor ons gesteld is7:

19
die hebben wij als een betrouwbaar en stevig anker voor de ziel
en reikt tot voorbij het voorhangsel8,

20
waar Jezus vóór ons en voor óns naar binnen is gegaan,
volgens de regel van de hogepriester Melchisedek aangesteld tot in eeuwigheid9.

Noten

Scroll naar boven