Inleiding
Jezus als hogepriester in het hemelse heiligdom, en dit in vergelijking met het levitische priesterschap onder het eerste verbond, is het centrale thema van de Hebreeënbrief (8:1), zie met name de hoofdstukken 7-10, en daartoe is deze perikoop de inleiding. Wat opvalt is dat de schrijver wel inzet met de belijdenis van Jezus als grote, hemelse hogepriester, maar daarbij benadrukt dat deze grootheid allereerst blijkt uit zijn menselijk medelijden ‘met al onze zwakheden’. Tot eeuwig hogepriester naar de orde van Melchizedek zal hij openlijk uitge-roepen worden, maar dit ook vanwege zijn gehoorzaamheid naar de orde van Aaron (5,4). De inzet van dit priesterschap is dus niet cultisch of sacramenteel, maar pastoraal. Zijn gebeden en smekingen worden onder tranen opgedragen ( 5,7) als een leerschool tot gehoorzaamheid en zijn zo geworden ‘tot oorzaak van eeuwige redding.’ Zonder het kruis te noemen, blijkt het solidaire menselijk lijden van Jezus toch het hart van het belijden te zijn.
Vertaling
4,14
Dus omdat wij een grote hogepriester hebben,
die de hemelen doorgegaan is,
Jezus, de zoon van God,
laten wij die belijdenis vasthouden.
15
Want wij hebben geen hogepriester,
die niet bij machte is om mede te lijden met onze zwakheden,
maar die in alle dingen op gelijke wijze
beproefd is geweest, uitgezonderd de zonde.
16
Laten wij dan met vrijmoedigheid
toegaan op de troon der genade
opdat wij getrouwheid ontvangen en genade vinden,
tot hulp voor het juiste moment.
5,1
Want elke hogepriester van mensen verkregen,
die zich inzet voor de mensen bij dat wat God betreft,
opdat hij gaven en ook offers zal brengen voor de zonden,
2
kan invoelend zijn met de onwetenden en dwalenden,
omdat hij ook zelf met zwakheid behept is,
3
en daardoor is hij verschuldigd,
zowel voor het volk als ook voor zichzelf
offers op te dragen voor de zonden.
4
En niemand neemt die waardigheid uit zichzelf,
maar men wordt er door God toe geroepen,
zoals ook Aaron.
5
Zo heeft ook de Christus (Messias) zichzelf geen glorie toegekend
om hogepriester te zijn geworden (verwekt),
maar hij die tot hem heeft gesproken:
Mijn zoon ben jij, heden heb ik jou verwekt!
6
Zoals hij ook door een ander zegt:
Jij bent priester voor eeuwig naar de orde van Melchizedek.
7
Ten dage van zijn lijfelijk bestaan
heeft hij, onder sterk geween en tranen,
tot die hem kon redden uit de dood,
gebeden en smekingen opgedragen
en hij is verhoord vanwege zijn eerbiedige toewijding.
8
En hoewel hij zoon is,
heeft hij de gehoorzaamheid geleerd
uit wat hij geleden heeft,
9
en voleindigd geworden,
is hij voor allen die hém gehoorzamen
tot oorzaak van eeuwige redding geworden,
10
uitgeroepen door God tot priester naar de orde van Melchizedek.