Hebreeën 12,18-29
- Vierdag: 24-5-2026, Pinksteren
- Boek: Hebreeën
- Perikoop: Hebreeën 12,18-29
- Vertaler: Eddy Reefhuis
Inleiding
Na de ‘wolk van getuigen’ (Hebr. 12,1) in hoofdstuk 11 roept hoofdstuk 12 ons op, ons niet langer door zonde te laten hinderen maar de wedstrijd te lopen die voor ons ligt, en ons daarin te laten leiden door Jezus, die de schande van het kruis gering geacht heeft in vergelijking met de vreugde die voor hem lag. Als tegenbeeld wordt in 12, 16 Esau genoemd die voor wat eten zijn eerstgeboorterecht verkocht. Tegenover die kortzichtigheid klinkt nu de volgende oproep.
Vertaling
18
Want jullie zijn niet bij een tastend en brandend vuur gekomen
en donkerte en duisternis en storm
19
en bazuingeschal en een stem met woorden
waarvan die het hoorden smeekten dat ze geen woord meer erbij zouden krijgen,
20
want ze verdroegen niet wat werd opgedragen;
zelfs als een dier de berg zou aanraken moest het gestenigd worden,
21
zo angstaanjagend was het verschijnsel,
Mozes zei: ik sidder van angst.
22
Maar jullie zijn gekomen bij de berg Sion en de stad van de levende God,
het hemelse Jeruzalem en duizenden engelen, een festival
23
24
en de middelaar van het nieuwe verbond Jezus
en het bloed van de besprenkeling
dat meer zegt dan dat van Abel.
25
26
wiens stem toen de aarde liet wankelen,
maar nu ons beloofd heeft:
nog eenmaal zal ik niet alleen de aarde laten beven maar ook de hemel6.
27
Dat nog eenmaal duidt op de verandering7van wat wankelde zoals het gemaakt was,
opdat wat niet wankelt blijft.
28
Laten we daarom dankbaar zijn dat we een onwankelbaar koningschap ontvangen
waardoor we God welgevallig kunnen dienen met eerbied8 en ontzag,
29
onze God is immers een verterend vuur9
Exegetische kanttekeningen
- Sinds Hebreeën 8,7vv is er met een beroep op Jeremia 31, 31vv. sprake van een nieuw verbond (Israël in het hart gegeven, zodat ze ook elkaar niet meer hoeven te onderwijzen). In 10,15vv wordt dat nog eens aangehaald, nu met de nadruk op de laatste zin: ik zal hun zonden niet meer gedenken. In 10,18 is dan de conclusie: dan is er ook geen offergave voor de zonde meer nodig. Daar leidt dat tot de oproep, aan deze nieuwe, vrije toegang tot God (volgens de Hebreeënbrief door het eenmalig en afdoende bloedvergieten van Jezus’ eigen bloed) vast te houden. In onze pericoop worden nu de sluiting van dat oude en dat nieuwe verbond tegenover elkaar gezet.
- In die tegenstelling is dat nieuwe verbond eerder uitnodigend (vs. 22vv) dan angstaanjagend zoals dat oude (18-21). Dat angstaanjagende maakte het oude ook onverdraaglijk, terwijl het nieuwe gevuld is met iedereen die meedoet – duizenden engelen en al die tot volmaaktheid geoordeelde rechtvaardigen.
- Daarop volgt nu ook hier de oproep (vs. 25vv) om dit te aanvaarden, ook al omdat er geen ander meer komt: anders dan alle wereldrijken (volgens mij klinkt het in vs. 26 geciteerde Haggai 2 ook mee in vs. 27) die opkomen en ook weer verzinken, is dit koningschap onwankelbaar – een heden dat ook toekomst is.
- Voor het goed verstaan van dat verslindende vuur dat God is (vs. 29), is het goed om te weten dat in hoofdstuk 13 dat direct wordt vertaald in onderlinge liefde, gastvrijheid (want zo herberg je engelen!), concrete solidariteit met wie gevangen zitten en slecht worden behandeld (alsof het jezelf overkomt), zuivere trouw in je relatie, en het afwijzen van geldzucht. Hiermee maak je het verschil.