Exodus 34,4-9

Inleiding

Exodus 32-34 vormt het belangrijke tussengedeelte tussen de opdracht tot het bouwen van de tabernakel (Ex 25-31) en de uitvoering ervan (Ex 35-40). In dit gedeelte wordt het verbond tussen JHWH en zijn volk bezegeld door de gave van de Thora. Maar die relatie wordt meteen tot het uiterste op de proef gesteld, wanneer het volk intussen een gouden kalf maakt en dat gaat vereren. Mozes speelt hier, naast JHWH, een hoofdrol door zijn eigen leven in de strijd te werpen en werkelijk in te staan voor zijn volk: hij speelt het hard (32,11-13; 32,31-32; 33,12-17). Nadat JHWH hem al een eind tegemoet is gekomen, vraagt Mozes tenslotte, Gods majesteit (כבוד) te mogen zien (33:18) en zelfs dát wordt hem gegund; alleen Gods aangezicht mag hij niet zien (33:20). De voorbereidingen voor die ontmoeting worden getroffen, (33:21-34:3), wij lezen alleen de kern van dit intense verhaal waarin JHWH zichzelf voorstelt en zijn eigen naam uitroept.

 

Overigens: deze vertaling is schatplichtig aan vele eerdere vertalingen van deze perikoop op deze en de voorgaande website, onder andere van Evert van den Berg, Gert Landman en Piet van Midden.

Vertaling

34,4
Hij hakte1 twee stenen platen uit net zoals de eerste.2
Mozes stond vroeg in de morgen op
en ging omhoog de berg Sinaï op
zoals JHWH hem geboden had.
Hij nam de stenen platen in zijn hand.

5
Toen daalde JHWH neer in de3 wolk
en ging daar bij hem staan;
hij4 riep de naam5 JHWH uit.

6
Toen JHWH aan zijn aangezicht6 voorbijging
riep hij:
 
JHWH, JHWH, barmhartige en genadige god
wiens toorn niet snel ontbrandt
royaal in solidariteit en trouw,

7
die solidariteit beoefent met duizenden7
die schuld en overtreding en zonde wegneemt
en zeker niet ongestraft laat
maar de schuld van de ouders vergeldt8 aan de kinderen en de kleinkinderen
tot het derde en het vierde geslacht.
 

8
Toen haastte Mozes zich om zich ter aarde te buigen
en hij knielde neer.

9
Hij zei:
Als ik toch genade heb gevonden9 in uw ogen, Heer
laat dan de Heer10 in ons midden meegaan
want een halsstarrig volk is dit.
Vergeef onze schuld en onze zonde
en verwerf ons als erfdeel!

Exegetische kanttekeningen

Je zou er een boek over kunnen schrijven. Deze ‘13 eigenschappen van God’, zoals ze in de joodse traditie heten, roepen veel op. Enthousiasme bij Huub Oosterhuis, die er het mooie lied 329, ‘O Heer God, erbarmend, genadig’ over dichtte, maar daarbij halverwege vers 7 stopt, juist waar het spannend wordt en de keerzijde naar voren komt: Gods strijd met het kwaad, dat niet mag blijven woekeren maar gestraft moet worden. Maar hoe verhoudt zich dat tot zijn genade en zijn vergevingsgezindheid? Het is een dagelijkse realiteit, dat volgende generaties opgezadeld worden met de gevolgen van de zonden van het voorgeslacht. Is dat hier bedoeld, of is dat toch net wat anders, namelijk een natuurlijk gegeven (de verwoestende doorwerking van het kwaad) en moet je dat onderscheiden van het handelen van God die actief zonde tegengaat en vergeldt?

 

Dat laatste woord, vergelden, is totaal ‘uit’, dat hoort niet en daar zijn we tegen. Maar kunnen we zonder, krijgen we dan geen al-te-lieve God die alles maar met de mantel der liefde bedekt (zie noot 8), en komt het dan ooit goed met zijn rijk van vrede en recht?

 

Wat helpt is, de verhouding tussen vergelding en vergeving, 3 à 4 tot 1000 (zie noot 7). En misschien moeten we een voorbeeld nemen aan Mozes, die de strenge woorden van vs. 7b laat voor wat ze zijn, maar wel onmiddellijk God aan zijn Woord houdt, en voor zijn volk de genade en vergeving claimt waarmee de Eeuwige zelf zei (vs. 6), royaal (רב) te zullen zijn.

Noten

Scroll naar boven