Inleiding
Deze lange perikoop vertelt de moeizame reis van Paulus van Jeruzalem naar Rome — het verhaal loopt door tot 28,15. Die reis maakt Paulus als gevangene — hij heeft zich op de keizer beroepen, anders was hij al vrij geweest, zegt het laatste vers van het vorige hoofdstuk. Overlevering dus in dubbele betekenis: afgevoerd en verder verspreid, zoals in Lucas 21,12v. al aangekondigd. De uitvoerigheid van het verhaal illustreert dat het zich in deze werkelijkheid afspeelt — veel heel gangbare Griekse woorden komen alleen in hier in de bijbel voor — en hoe weerbarstig die is. Maar het woord van de apostel maakt ook deel uit van deze werkelijkheid, en verandert die.
Vertaling
27, 1
Toen besloten was dat we zouden afvaren naar Italië
werden Paulus en sommige andere gevangenen overgeleverd aan een centurio met de naam Julius uit het keizerlijk cohort
2
We gingen aan boord van een schip uit Adramyttium dat naar de plaatsen langs Klein-Azië zou varen en voeren weg,
Aristarchus, de Macedoniër uit Tessalonika, was met ons mee.
3
De volgende dag kwamen we aan in Sidon
en Julius, die Paulus menslievend behandelde, stond hem toe
naar zijn vrienden te gaan en zorg te krijgen.
4
Vandaar afgevaren voeren onderlangs Cyprus
omdat de winden tegen waren
5
en varend over de zee langs Cilicië en Pamphilië
kwamen we aan in Myra in Lycië.
6
Daar vond de centurio een Alexandrijns schip dat naar Italië voer
en daarop liet hij ons aan boord gaan.
7
Dagenlang langzaam varend —
we kwamen nauwelijks bij Cnidus,
omdat de wind ons niet vooruit liet komen –
voeren we onderlangs Kreta langs Salmone,
8
daar kwamen we ook nauwelijks voorbij.
Maar we kwamen in een plaats die Goede Havens wordt genoemd
vlak bij de stad Lasea.
9
Nu er heel wat tijd was verstreken
en varen al gevaarlijk was omdat het vasten al voorbij was,
spoorde Paulus hen aan
10
en zei:
mannen, ik zie dat het een vaart met hinder en veel schade wordt
niet alleen voor de vracht en het schip maar ook voor onze levens.
11
Maar de centurio vertrouwde meer op de stuurman en de scheepseigenaar
dan op wat Paulus had gezegd.
12
En omdat de haven ongeschikt was voor overwintering
nam de meerderheid het besluit om vandaar weg te varen,
of ze op een of andere manier Phoenix zouden kunnen bereiken om te overwinteren,
een haven op Kreta die op het zuidwesten en het noordwesten uitkijkt.
13
Toen er zachtjes een zuidenwind woei
dachten ze dat voornemen binnen bereik te hebben
en hesen ze het anker op en gingen zo dicht mogelijk langs Kreta.
14
Maar niet veel later stak er een orkaanwind op, Noordooster geheten.
15
Toen het schip werd gegrepen en het niet de kop in de wind kon houden,
gaven we ons over aan de wind en lieten ons meedrijven.
16
In de luwte geschoten van een eilandje dat Kaudas heet
konden we nauwelijks de sloep in onze macht krijgen.
17
Toen ze die opgehesen hadden
gebruikten ze hulpmiddelen om het schip te ondergorden
en uit vrees dat ze op de Syrte zouden stranden,
haalden ze het tuig neer en lieten zich zo meedrijven.
18
Terwijl we door de winterstorm hevig werden geteisterd
gooiden ze de volgende dag van alles overboord
19
en de derde dag scheurden ze eigenhandig het scheepstuig eraf.
20
Toen zon en sterren zich meer dagen niet lieten zien
en de storm aanhield, niet zo weinig,
ontviel ons tenslotte alle hoop dat we zouden worden gered.
21
Toen het al lang niet van eten was gekomen,
is toen Paulus in hun midden gaan staan en zei:
Mannen, om ons deze hinder en schade te besparen
hadden jullie mij moeten gehoorzamen en niet weggaan van Kreta.
22
Maar nu spoor ik jullie aan goede moed te houden,
want er zal geen enkel verlies van leven onder jullie zijn, alleen van het schip.
23
Want deze nacht bezocht mij van de God van wie ik ben en die ik dien een boodschapper
24
die zei:
vrees niet, Paulus, je moet de keizer bezoeken,
en kijk! God heeft je begenadigd met allen die met je meevaren.
25
Daarom, houd moed, mannen;
want ik vertrouw op God,
dat het zo zal zijn als het mij is gezegd.
26
We moeten wel stranden op een of ander eiland.
27
Toen het de veertiende nacht werd terwijl we ronddreven in de Adriatische Zee
vermoedden rond middernacht de zeelui dat er land aan kwam.
28
Ze peilden en kwamen op twintig vadem,
even verder peilden ze weer en kwamen op vijftien vadem.
29
En uit vrees dat we op de rotsen zouden stranden
wierpen ze van de achtersteven vier ankers uit
en baden dat het dag zou worden.
30
Toen de zeelui probeerden van het schip af te vluchten
en de sloep neerlieten in zee onder het voorwendsel,
dat ze van de boeg ankers moesten uitbrengen,
31
zei Paulus tegen de centurio en de soldaten:
als zij niet op het schip blijven,
kunnen jullie niet worden gered.
32
Toen kapten de soldaten de touwen van de sloep
en lieten hem vallen
33
Tegen dat het dag ging worden
riep Paulus allen op voedsel te nemen, hij zei:
vandaag is het de veertiende dag dat jullie afwachten
en zonder eten blijven en niets nemen.
34
Daarom roep ik jullie op voedsel te nemen,
want dat zal bijdragen aan jullie redding.
Want geen haar van jullie hoofd zal verloren gaan.
35
Dat gezegd hebbend nam hij een brood en dankte God voor de ogen van allen,
brak het en begon te eten.
36
Allen kregen goede moed en namen ook zelf voedsel.
37
We waren met ons allen met 276 mensen in het schip.
38
Toen ze genoeg hadden gegeten,
maakten ze het schip lichter door het graan in zee te gooien.
39
Toen het dag werd,
herkenden ze het land niet,
maar ze ontwaarden een baai met een strand,
waar ze besloten zo mogelijk het schip op te laten lopen.
40
Ze haalden de ankers weg en lieten zich gaan met de zee,
tegelijk maakten ze de roerverbindingen los,
hesen het voorzeil met de waaiende wind mee
en hielden aan op het strand.
41
Maar ze kwamen terecht op een landtong en liepen met het schip aan de grond.
De boeg kwam vast te zitten, onbeweeglijk,
maar de achtersteven raakte los door het geweld (van de golven)
42
De soldaten besloten de gevangenen te doden,
zodat niemand zwemmend zou ontsnappen.
43
Maar de centurio, die Paulus wilde redden, verhinderde hun voornemen
en beval wie konden zwemmen als eersten over boord te springen en aan land te gaan,
44
en de overigen sommigen op planken, anderen op stukken schip.
Zo gebeurde het dat allen gered aan land kwamen.
Exegetische kanttekeningen
1. Vanaf Handelingen 20,6 zijn er niet nader gedefinieerde ‘wij’ die soms Paulus’ reisgezelschap vormen, maar soms ook apart van hem reizen. De schrijver en zijn metgezellen — wellicht ook zijn lezers? In ons verhaal wisselen ze regelmatig af met ‘ze’ — de zeelui, de soldaten, wellicht ook de andere passagiers.
2. In deze uitvoerige beschrijving van een zeereis zijn verwijzingen naar Jona te onderscheiden:
a. per schip met een missie naar een grote stad, met een grote heerser aan het hoofd;
b. storm en (dreigende) schipbreuk;
c. de bijzondere rol van de apostel/profeet, die zich bekend maakt als dienaar van deze God, en de redding door zijn hand;
d. de dubbelzinnige positie van de grote heerser.
3. Verschillen zijn er ook:
a. waar de profeet zijn missie eerst weigert, is die in ons hoofdstuk de drijfveer, zelfs van de centurio;
b. waar Jona de anderen redt door zichzelf overboord te laten gooien, doet Paulus dat door iedereen aan boord te houden.
4. De apostel blijkt bijzonder wereldwijs:
a. hij ziet de gevaren eerder en beter dan anderen (als hij daar in vs. 21 op terugkomt, is m.i. geen gelijkhebberij maar onderbouwing van zijn gezag => ‘luister nu wel maar mij’);
b. waar de anderen uit religieuze huiver en/of van de stress vasten, dringt hij aan op voldoende eten;
c. hij doorziet als eerste de opzet van de zeelui als die proberen zichzelf te redden.
5. Zinspeelt het nemen, danken, breken en eten van het brood in vs. 35 wellicht op de eucharistie, en wordt dat sacrament dan hier ingezet als goed voorbeeld van (brood)nuchterheid?
Noten
- Hand. 18,2 Aquila en Priscilla uit Italië (Claudius had alle joden uit Rome weggestuurd); naar Italië 27,1.6
- alleen Hand. 27,1.42 (elders δεσμιος)
- havenstadje aan de Kleinaziatische kust vd. Egeïsche Zee
- reisgenoot / medewerker van Paulus, in Hand. 19, 29; 20,4; 27,2; Kol. 4,10 Fil. 24
- alleen hier; vgl. 28,2 waar de ‘barbaren’ op Malta ‘ongewone menslievendheid’ bieden aan de schipbreukelingen
- dwz: in de windschaduw van; Cilicië en Pamphilië vormen de Kleinaziatische kust ten noorden van Cyprus
- westelijk van Pamphilië
- op een schiereiland aan de zuidwestpunt van Klein-Azië
- de noord-oostelijkste punt van Kreta
- min of meer in het midden van Kreta aan de zuidkust
- meestal gelijk aan Grote Verzoendag; najaar dus
- υβρις is behalve overmoed ook belediging en hinder
- πειθω, niet jegens God
- volgens Murre een goed Nederlands woord. Het gaat om touwen (?) onder de romp van het schip door
- zandbank voor de kust van Libië, gevreesd bij zeelui
- verwant aan de overwintering in vs. 12
- πειθαρχεω, in Hand. 5,29.32 gehoorzamen aan God
- πιστευω, juist ook jegens God
- de spanwijdte van je armen, ca. 1,85 m.
- In Luc. 3,5 citaat uit Jes. 40, 3vv. over de rotsige wegen die glad zullen worden
- εκπιπτω, dat ik hiervoor steeds met ‘stranden’ heb vertaald
- περιπιπτω, in Luc. 10,30 gebruikt voor in handen vallen van rovers
- De geleerden worden het er niet over eens, of de golven een latere toevoeging zijn, of dat ze door overschrijvers die het graag kort hielden (de Alexandrijnse tekst), zijn weggelaten.