Amos 8,4-8

Inleiding

Amos 8,4-7 figureert als eerste lezing in een ensemble van lezingen voor de eerste zondag van de herfst in jaar C, samen met Psalm 113; 1 Timoteüs 2,1-8 en Lucas 16,1-13. Alle tradities (OLM, CL, RCL, OKL en GL) stemmen hierin overeen; enkel de afbakening van het evangelie varieert: Lucas 16,(1)10-13 (OLM); Lucas 16,1-13 (CL, RCL, OKL) en Lucas 16,1-(8)17 (GL). Dat roept wel vragen op bij de bijbels-theologische relaties: kunnen de geadresseerden van de uiterst kritische profetie wel model staan voor de rentmeester uit de Lucaanse parabel? Los daarvan vat de masoretische indeling van de tekst de verzen 4-8 als literaire eenheid op; om die reden is vers 8 hier meevertaald.

Vertaling

4
Hoor dit,
jullie die de behoeftige vertrappen
en de gebogenen1 van de aarde willen2 vernietigen;
5
die zeggen:
Wanneer is de nieuwemaan voorbij,
zodat we (weer) graan kunnen verhandelen,
en de sabbat,
zodat we de koren(zak)3 (weer) kunnen openen,
de maat verkleinen, het gewicht vergroten4,
en de onzuivere weegschaal krommen;
6
de armen voor zilver(geld) opkopen,
de behoeftige vanwege een paar sandalen,
en kaf met koren mee5 verhandelen?
7
Gezworen heeft JHWH bij de trots6 van Jakob:
Nooit zal ik al hun daden vergeten!
8
Zal hierom de aarde niet beven
en treuren al wie er op woont,
dat ze overal opkomt als de Nijl,
zwelt en weer zinkt als de stroom van Egypte?

Exegetische kanttekeningen

De pericoop opent (4) met een herinnering aan het Sjema (Dt.6,4) en vervolgt met een uitvoerige directe rede (5-6) die de kritisch geadresseerden van de profetie in de mond wordt gelegd. Het gaat hier eerder om de verbeelding van een monologue intérieure dan verstaanbaar uitgesproken woorden. De eed van JHWH (7), ook een stijlfiguur, maakt duidelijk dat gedrag zoals in de monoloog tot expressie komt, niet zonder gevolgen zal blijven. Die gevolgen nemen de gestalte aan van een ecologische ramp (8; cf.Hs.4,3); de profetie veronderstelt zo een intrinsieke dynamiek tussen sociaal-economische (5-6) en ecologische (8) ontsporing.

Noten

  1. Deurloo attendeert op het mogelijk dubbelzinnige karakter van de term: met harde hand gebogenen en in aanbidding gebogenen.↩︎
  2. De lamedh (ook driemaal in vers 5) is opgevat als expressie van een intentie.↩︎
  3. Het ‘openen van koren’ lijkt eerder opgevat te moeten worden als openen van de korenvoorraad dan als openen van voorraadschuren of bewaarplaatsen; de strekking van de formulering lijkt een parallel van het verhandelen van graan (vergelijk Deurloo: ‘zodat we weer kunnen openen voor koren[-verkoop]’ en Alter: ’that we may trade in wheat’).↩︎
  4. Het gaat hier om vervalsing van maten en gewichten ten nadele van kopers.↩︎
  5. In het Hebreeuws een status constructus: het kaf van het koren verhandelen.↩︎
  6. Vergelijk 6,8; vraag is of de term een gunstige (trots, cf. Ps.47,5 en heiligheid 4,2) of een ongunstige (hoogmoed) klank heeft.↩︎
Scroll naar boven