Handelingen 5,1-11

Inleiding

Dit stuk volgt op een beschrijving van de eerste gemeente (Hand. 4,32-37) waarvan gezegd wordt dat ‘ook niet één zei dat iets van wat hij bezat zijn persoonlijk eigendom was, maar zij hadden alles gemeenschappelijk’. En allen die stukken grond of huizen bezaten, verkochten die en verdeelden de opbrengst onder de armen. Een opmerkelijke overeenkomst met sommige Essenen.

Vertaling

5, 1
Eens verkocht een zeker man, Ananias1 genaamd, samen met zijn vrouw Saffira2, een bezitting3.
2
Daarbij hield hij een deel van de opbrengst achter4, met medeweten van zijn vrouw,
en nadat hij een zeker deel naar binnen had gebracht,
legde hij dat voor de voeten van de apostelen.5
3
Maar Petrus6 zei:
Waarom heeft Satan het in je hart gelegd7
om de Heilige Geest te bedriegen
en achter te houden van de opbrengst van de bezitting?
4
Onverkocht was het van jou gebleven,
maar nu het verkocht is8,
is dat jouw verantwoordelijkheid9.
Waarom wilde je het op deze manier doen?
Je hebt niet de mensen bedrogen, maar God.
5
Toen Ananias deze woorden hoorde
viel hij neer en blies de laatste adem uit.
En een grote angst kwam over allen die het hoorden.
6
Daarop stonden enkele jonge mannen op,
bedekten hem
en begroeven hem nadat ze hem naar buiten hadden gedragen.10
7
Ongeveer drie uur later kwam ook zijn vrouw binnen,
niet wetend wat er had plaatsgevonden.
8
Petrus vroeg haar:
Zeg mij,
is dit het bedrag waarvoor je de bezitting hebt verkocht?
Zij zei:
Jazeker, dat is het.
9
Daarop zei Petrus tegen haar:
Waarom hebben jullie samen besloten om de geest van de Heer op de proef te stellen?
Welnu, de voeten van hen die jouw man begraven hebben staan bij de deur
en zij zullen jou naar buiten dragen.
10
Onmiddelijk viel zij voor zijn voeten
en blies haar laatste adem uit.
Toen de jonge mannen binnenkwamen
vonden zij haar dood,
en nadat zij haar buiten gedragen hadden,
begroeven zij haar bij haar man.
11
Ook kwam er grote vrees11 over heel de gemeente
en over allen die dit hoorden.

Noten

  1. Ἀνανίας van חֲנַנְיָה. Deze naam kan twee dingen betekenen: 1. de Heer heeft afschuw, 2 de Heer heeft medelijden/genade.↩︎
  2. Σαπφείρη, saffier, in de oudheid algemene naam voor een blauwe steen, vaak lapis lazuli. Volgens de rabbijnse traditie in het Jodendom wordt saffier in de Talmoed en de Misjna beschreven als de steen waarop de tien geboden werden geschreven. Saffier stond hierbij symbool voor de steen die naar de hemel verwijst.↩︎
  3. κτῆμα van κτάομαι verkrijgen, bezitten, verschaffen of kopen: eigendom, kan onroerend goed zijn, stuk grond.↩︎
  4. Vgl. Joz. 7:1-12 over het achterhouden van wat met de ban geslagen is (het komt de tempel/de priesters toe, Num. 18:14).↩︎
  5. Uitdrukking: wordt gebruikt door degenen die iets aan de macht en zorg van een ander toevertrouwen.↩︎
  6. De Legenda Aurea vermeldt in hoofdstuk 84 (Sint Petrus, apostel) ‘De apostel Petrus onderscheidde zich onder de apostelen meer dan de andere apostelen door zijn grotere vurigheid. Want hij wilde ook weten ook weten wie de Heer zou verraden, omdat hij, zo zegt Augustinus, hem met zijn tanden verscheurd zou hebben, als hij dat had geweten … hij voorzegde Ananias en Saffira hun dood’. Bijna alsof Petrus hier van moord beschuldigd wordt.↩︎
  7. Eigenlijk: waarom heeft Satan je hart gevuld (met de gedachte) om …↩︎
  8. πραθὲν, aor. ptc. pass. nom. neut. sing. van πιπράσκω overdragen, verkopen: overgedragen zijnde.↩︎
  9. ἐξουσία: jurisdictie, vrijheid, macht, recht, kracht. Vgl. Deut. 23:22 Als je God iets belooft, heb je je daaraan te houden.↩︎
  10. Vgl. Lev. 10:4, overtreders van de regels zijn onrein en moeten zo snel mogelijk uit het kamp verwijderd worden.↩︎
  11. φόβος, hier: angst of vrees. Maar in Hand. 2:43, na indrukwekkende wonderen: ontzag.↩︎
Scroll naar boven