Ezechiël 17,22-24

Inleiding

Een heel kort fragment uit een (zeldzame) heilsprofetie van Ezechiël, ongetwijfeld gekozen naast de evangelielezing, Marcus 4:26-34, vooral bij vv. 30-32 over het mosterdzaadje. De perikoop is onderdeel van een heel hoofdstuk waarin de beeldtaal van bomen, ceders en twijgjes uitvoerig wordt uitgewerkt. Zo in vv. 1-10, waarna de beelden in vv. 11-21 worden uitgelegd als betrekking hebbend op de ballingschap.

Daarna volgt onze perikoop, maar daarbij moet de lezer de uitleg zelf vinden.

Vertaling

22
Zo zegt mijn heer Jhwh:
Ikzelf zal uit de top van de verheven ceder een loot nemen
en die [een plek] geven;
van zijn bovenste scheuten zal ik een teer takje plukken,
ikzelf zal [het] planten
op een hoge en verheven berg.
23
Op de verheven berg van Israël zal ik het planten
het zal loof dragen en vrucht voortbrengen
en het zal tot een prachtige ceder worden.
Onder hem zal al het gevogelte woonplaats vinden
al wat vleugels heeft;
in de schaduw van zijn gebladerte zullen zij woonplaats vinden.
24
Dan zullen alle bomen van het veld weten
dat ikzelf, Jhwh, de hoge boom verneder,
[maar] de nederige boom verhoog;
de sappige boom laat ik verdorren
[maar] de dorre boom doe ik uitspruiten.
Ik, Jhwh, heb [het] gesproken en zal [het] doen.
Scroll naar boven