1 Petrus 5,1-11

Vertaling

1
De oudsten1 onder jullie bemoedig ik23
als medeoudste en getuige van het lijden van Christus
ook deelgenoot in de heerlijkheid die geopenbaard zal worden:
2
weidt Gods kudde waarvan jullie4 de opzieners zijn,
niet gedwongen5 maar op Gods manier6
niet uit winstoogmerk7, maar vrijwillig8
3
Niet de baas spelen9 over wie jullie zijn toevertrouwd10,
maar wees een voorbeeld11 voor de kudde .
4
Wanneer de opperherder12 verschijnt,
zullen jullie de onverwelkbare13 krans van heerlijkheid krijgen14
5
Zo ook, jongeren15 schikt16 je naar de ouderen.
Allen moeten zich in de omgang met elkaar laten leiden in nederigheid17,
want God weerstaat de hoogmoedigen18,
maar de nederigen19 zal hij genade schenken20 .
6
Verneder je dan onder Gods sterke hand,
opdat hij jullie op zijn tijd21 zal verheffen
7
werpt22 al je zorgen op hem,
want hij bekommert23 zich om jullie24
8
Weest nuchter25 en waakzaam,
jullie tegenstander26
de duivel waart rond als een brullende leeuw27,
zoekend wie hij zal verslinden28
9
Weerstaat hem in vast29 vertrouwen,
in de wetenschap dat dit lijden in de wereld
aan jullie broeders30 wordt voltrokken31
10
Maar de God van alle genade,
die jullie heeft geroepen tot zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus,
zal jullie na een korte [tijd} van lijden toerusten32, standvastig maken33
en sterken34
en grondvesten35
11
Hem is de kracht, in eeuwigheid. Amen.

Noten

  1. Ex. 12:12 etc. en 1QWS6:8↩︎
  2. παρακαλέω = erbij roepen, troosten (Parakleet) bemoedigen en te hulp roepen, vermanen↩︎
  3. zie voor inleiding 1Pt1 ACEPT5, 156vv↩︎
  4. lett: bij jullie, d.w.z. de kudden staat niet onder jullie↩︎
  5. ἀναγκαστῶς, hapax↩︎
  6. ἑκουσίως vrijwillig, opzettelijk, uit vrije beweging, alleen hier en in Heb. 10:26↩︎
  7. αἰσχροκερδῶς winstbejag, hapax↩︎
  8. προθύμως vrijwillig, hapax↩︎
  9. κατακυριεύω (over)heersen(over), overmeesteren, Mat. 20:25, Mar. 10:42, Hand. 19:16, hl↩︎
  10. κλῆρος lot, aandeel of erfdeel; alleen hier: aan iemand toevertrouwd↩︎
  11. τύπος type, model, voorbeeld↩︎
  12. cf. 1Pet. 2:25 Jezus Christus↩︎
  13. ἀμαράντινος, hapax↩︎
  14. κομίζω (weg)dragen, (terug)brengen↩︎
  15. cf. Hand. 5:9, aparte groep?↩︎
  16. ὑποτάσσω zich onderwerpen, schikken↩︎
  17. ταπεινοφροσύνη nederigheid, bescheidenheid, ootmoed Hand. 20:19, Ef. 4:2, Fil. 2:3, Kol. 2:18,23, 3:12, hl↩︎
  18. ὑπερήφανος hoogmoedig, trots, arrogant Luc. 1:51 (Magnificat), Rom. 1:30, 2Tim. 3:2, Jak. 4:6, hl↩︎
  19. ταπεινός nederig, vertrapt Luc. 1:52 o.a.↩︎
  20. Spr. 3:34↩︎
  21. ἐν καιρῷ↩︎
  22. ἐπιῤῥίπτω werpen: Luc. 19:35, hl↩︎
  23. μέλω ter harte gaan, bekommeren om alleen met onpersoonlijk het of iets↩︎
  24. Ps. 55:23↩︎
  25. νήφω nuchter, wakker, o.a. 1Pet. 1:13, 1Pet. 4:7, hl↩︎
  26. ἀντίδικος tegenpartij in het gerecht, Mat. 5:25, Luc. 12:58, 18:3; tegenstander hl↩︎
  27. Ps. 22:14↩︎
  28. καταπίνω opslokken, verzwelgen↩︎
  29. στερεός vast, hecht↩︎
  30. Cf. 1Pet. 2:17 medechristenen in de gemeenten van Klein-Azië↩︎
  31. ἐπιτελέω volbrengen, voleindigen, hl. voltrekken↩︎
  32. καταρτίζω helpen, terecht helpen, voltooien toerusten, sterken↩︎
  33. στηρίζω sterken, standvastig maken↩︎
  34. σθενόω versterken, sterk maken in de strijd, hapax↩︎
  35. θεμελιόω gronden, grondvesten, standvastig maken: grond onder de voeten geven, een fundament om op te staan, Ef. 3:17, Kol. 1:23, hl↩︎
Scroll naar boven