Esters waagstuk. Haar eerste feestmaal.

Vertaling

1
Het gebeurde op de derde dag,
dat Ester zich kleedde als koningin.1
Zij ging staan
in de binnenste voorhof van het huis van de koning
recht tegenover het huis van de koning.
De koning zat op zijn koninklijke troon
in zijn koninklijk huis
tegenover de ingang van het huis.
2
En het gebeurde
zodra de koning Ester de koningin, zag staan
in de voorhof,
dat zij genegenheid verwierf in zijn ogen.
De koning reikte de gouden scepter die hij in zijn hand had
aan Ester toe.
Ester kwam dichterbij
en raakte de punt van de scepter aan.
3
De koning zei tegen haar:
Wat is er met je, koningin Ester?
Wat is je verzoek?
Al was het de helft van het koninkrijk,
het zal je gegeven worden.
4
Ester zei:
Als het de koning goeddunkt
dan komt de koning vandaag met Haman
naar het feestmaal dat ik voor hem heb aangericht.
5
De koning zei:
Snel, ga Haman halen
om te doen wat Ester heeft gezegd!
En de koning kwam met Haman
naar het feestmaal dat Ester had aangericht.
6
De koning zei tegen Ester
bij het drinken van de wijn:
Wat is je wens?
Het zal je gegeven worden
Wat is je verzoek?
Al was het de helft van het koninkrijk,
het zal ingewilligd worden.
7
Ester antwoordde en zei:
Mijn wens en mijn verzoek…
8
Als ik genegenheid heb gevonden in de ogen van de koning
en als het de koning goeddunkt mij te geven wat ik wens
en mijn verzoek in te willigen,
dan komt de koning met Haman naar het feestmaal
dat ik voor hen zal aanrichten.
Morgen zal ik doen zoals de koning gesproken heeft.
9
Haman ging die dag vrolijk en welgezind naar huis.
Maar toen Haman Mordechai zag in de poort van de koning
dat hij niet opstond
en niet voor hem sidderde,
raakte Haman vol woede op Mordechai.
10
Maar Haman hield zich in.
Hij kwam thuis en liet zijn vrienden komen
en Zeres, zijn vrouw.
11
Haman beschreef hun de omvang van zijn rijkdom,
zijn vele zonen
en alles waarmee de koning hem grootgemaakt had
en had verheven boven de vorsten en dienaren van de koning.
12
Haman zei:
Bovendien heeft Ester, de koningin,
niemand met de koning laten meekomen
naar het feestmaal dat zij heeft aangericht,
dan mij alleen.
En ook voor morgen
ben ik bij haar uitgenodigd samen met de koning.
13
Maar dit alles betekent niets voor mij
zolang ik Mordechai, de Jood,
zie zitten in de poort van de koning.
14
Toen zei Zeres, zijn vrouw, tot hem
En [ook] al zijn vrienden:
Laat een paal maken, vijftig el hoog;
en zeg morgenochtend tegen de koning
dat men Mordechai daaraan ophangt.
En ga vrolijk met de koning naar het feestmaal.
Dit woord beviel Haman
en men maakte die paal.
 

Noten

  1. Letterlijk staat er: zij bekleedde zich met het koningschap↩︎
Scroll naar boven