1 Tessalonicenzen 4,1-8

Inleiding

In de eerste drie hoofdstukken van 1 Tessalonicenzen jubelt Paulus hoeveel troost en kracht hij put uit het volhardende geloof van de gemeente in Tessalonica – ‘evangeliseren’ noemt hij Tinoteüs’ verslag daarvan (1 Tess. 3,6). In het volgende stuk roept hij hen op, levend voor Gods aangezicht in de verwachting van de komst van de Heer (1 Tess. 3,13), op de ingeslagen weg verder te gaan. Ruimhartigheid zonder grenzen gaat daarbij hand in hand met terughoudendheid en respect voor de ander.

Vertaling

1
Voor het overige, broeders, vragen we jullie en roepen jullie door de Heer Jezus op,
je te gedragen1 zoals jullie van ons hebben meegekregen hoe het moet
en God een plezier te doen,
zoals jullie je ook gedragen,
opdat jullie nog veel overvloediger2 zijn.

2
Want jullie weten
welke opdrachten we jullie hebben gegeven door de Heer Jezus.

3
Want dit is de wil van God, jullie heiliging,
dat jullie je verre houden van ontrouw3,

4
ieder van jullie je eigen ding4 weten te verwerven in heiliging en respect5,

5
niet in de hartstocht van begeerte6
zoals de volken die God niet kennen,

6
opdat iemand zich niet te buiten gaat7 en ter zake8 hebzuchtig is jegens zijn broeder,
want de Heer is degene die dit alles wreekt9,
zoals we jullie ook al eerder hebben gezegd en dringend hebben betuigd.

7
Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid maar in heiliging.

8
Daarom, wie dit verwerpt verwerpt niet een mens maar God,
die jullie zijn heilige geest geeft.

Exegetische kanttekeningen

  1. De wederkerigheid van hoofdstuk 1 is ook hier te vinden: ‘zoals jullie van ons hebben meegekregen hoe het moet’ vindt in hetzelfde vers zijn parallel in ‘zoals jullie je ook gedragen’.
  2. De overvloed waarin ze dat nog veel meer moeten doen, duidt wellicht op een eschatologisch perspectief, dat bij Paulus de nu al aangebroken heilstijd kenmerkt. Dan betekent deze aansporing niet, dat ze niet genoeg doen, maar eerder, dat er nog veel meer mogelijk is dan ze al doen.
  3. Algemeen wordt aangenomen, dat vs. 3-5 gaat over huwelijkstrouw, waarin ‘heiliging’ en ‘respect’ tegenover de hartstocht van de begeerte staan. Als ik dat zo mag lezen, dat de ander niet het verlengstuk van mijn behoefte is, doe ik mee. Des te meer als dat ook richting God mag gelden – dat lees ik in vs. 8.
  4. Of vers 6 dan over deze zelfde zaak gaat, nu bekeken vanuit het oogpunt van je naaste, of dat het hier over zaken doen gaat, daarover lopen de meningen uiteen. De gebruikte woorden passen beter bij zaken doen, maar hoe dat onderwerp hier nu ineens aan de orde komt, is niet goed te volgen. Zakendoen is anders dan de huwelijksrelatie ook niet een vaker gebruikt beeld voor de relatie tussen God en mensen.
  5. Wie is die Heer die dit alles rechtzet? ‘Heer’ is steeds de titel van Jezus de Gezalfde, ongetwijfeld om daarmee aan te geven dat we in hem God herkennen. Als dat ook hier zo is, hoe ziet dat rechtzetten er dan uit?
  6. Vers 8 onderstreept hoezeer in deze zaak de relatie met God aan de orde is, en daarmee ons hele leven – het is immers de geest die levend maakt.
  7. Wellicht staat dit vers er ook om dit gedeelte te onderscheiden van het volgende, dat gaat over φιλαδελφια, door NBV keurig inclusief vertaald als ‘onderlinge liefde’.

Noten

Scroll naar boven