1 Tessalonicenzen 1,1-10
- Vierdag: 18-10-2026, 5e van de herfst
- Boek: 1 Tessalonicenzen
- Perikoop: 1 Tessalonicenzen 1
- Vertaler: Eddy Reefhuis
Inleiding
De eerste brief aan de Tessalonicenzen wordt algemeen als de eerste brief van Paulus (en daarmee het oudste geschrift van het NT) beschouwd. Opmerkelijk argument daarbij is, dat de brief getuigt van zoveel betrokkenheid, dat een terugblik op heel recente ervaringen (zie Hand. 17) voor de hand ligt. Gelet op de reizen van de andere genoemde afzenders, Silvanus / Silas en Timoteüs, wordt Korinte, waar Paulus in Hand. 18 samen met hen is, als plaats van schrijven vermoed.
Vertaling
1
2
Wij danken God altijd om jullie allen
wanneer we jullie gedenken bij onze gebeden, onophoudelijk
3
indachtig jullie werk van geloof en moeite van de liefde en volharding van de hoop
op Jezus de Gezalfde
voor5 God onze vader,
4
wetend, door God geliefde broeders, van jullie uitverkiezing6,
5
6
En jullie zijn onze navolgers9 geworden en van de Heer,
toen jullie het woord in veel verdrukking met de vreugde van de heilige geest hebben ontvangen
7
zodat jullie een voorbeeld zijn geworden voor allen die geloven in Macedonië en Achaje10.
8
Want vanuit jullie heeft het woord van de Heer niet alleen in Macedonië en Achaje weerklonken,
maar naar elke plaats is jullie geloof in God toegekomen,
zodat wij niet meer wat hoefden te zeggen.
9
Want zíj vertellen over ons,
wat een entree wij bij jullie hadden,
en hoe jullie zijn omgekeerd van de afgodsbeelden naar God
om de levende en ware God te dienen11
10
en zijn zoon uit de hemel te verwachten,
die hij uit de doden heeft opgewekt,
Jezus die ons redt van de komende toorn12.
Exegetische kanttekeningen
- De verrassing in deze perikoop lijkt mij, dat Paulus, op weg om in heel Griekenland het evangelie te verkondigen, overal waar hij komt zijn eigen verhaal terug hoort omdat zijn publiek het verhaal van de gemeente in Tessalonica kent. Zo lees ik vers 7 t/m 9.
- Die wederkerigheid lees ik terug in de verzen 4 en 5, waar de ‘wetende’ Paulus cs. van vers 4 weerklank vinden in ‘jullie weten’ van vers 5.
- Dat weten betreft het werk van jullie geloof – van de door Luther ondervonden tegenstelling tussen Jacobus en Paulus weet deze brief nog niks – die verder wordt gekenmerkt door liefde die moeite wil doen, en door hoop die niet opgeeft.
- Die hoop is op Jezus en diens komst vanuit de hemel – ware nuchterheid durft te hopen op een wonder, leer ik uit de Talmoed. Dat onze werkelijkheid groter is dan wij weten wordt ook beleden in vers 3, waar we ons al biddend bevinden voor het aangezicht van God.
- Dat we al doende niet aan onszelf zijn overgeleverd maar deel zijn van een groter geheel spreekt mijns inziens ook uit de uitverkiezing waaraan al die goede werken te danken zijn. In dit licht is het goede dat we doen niet het gevolg van onze goede inborst maar van de roep die we vanuit deze verhalen herkennen in de concrete hulpvraag, en de belofte die deze verhalen verbinden aan de betrekkelijkheid van wat we doen.
- Dit geloof en deze liefde en deze hoop plaatsen ons tegenover de komende toorn, die ook in die dagen in brede kring werd gevreesd, al dan niet als terechte straf voor wat we als mensheid fout doen. In plaats van ons te laten verlammen door afgoden dienen we de levende en ware God met dit werkzame geloof enzovoort. Niet omdat we het kwaad en de ellende waarin die toorn nu al tastbaar wordt ontkennen – Jezus is gestorven – maar omdat dat voor ons, zelfs als het een terecht oordeel is, niet het laatste is: deze Jezus is uit de doden opgewekt.
- De verwachting die dat wekt uit zich in een geestige vreugde, desnoods tegen de verdrukking in. Vooral daarin herkent Paulus zichzelf in de gemeente in Tessalonica, en wellicht is dat ook wat zoveel weerklank heeft gevonden.