Matteüs 22,1-14
- Vierdag: 11-10-2026, 4e van de herfst
- Boek: Matteüs
- Perikoop: Matteüs 22,1-14
- Vertaler: Peter Crom
Inleiding
Dit verhaal volgt op de intocht in Jeruzalem en een aantal verhalen over naderend onheil voor wie niet meegaat in het verhaal van Jezus: de vijgenboom verdort en de pachters (religieuze leiders in Jeruzalem) houden de opbrengst van de wijngaard voor zichzelf: het zal slecht met ze aflopen.
De koning wordt geconfronteerd met drie typen ʻonderdanen’: 1. De traditionele genodigden, die geen boodschap hebben aan zijn uitnodiging voor het feest. Waarschijnlijk is daarmee de Joodse clerus bedoeld, die zich in hoofdstuk 21 nadrukkelijk van Jezus distantieert. 2. De slechte en goede mensen die niet tot de traditionele genodigden behoren (niet-Joden?) maar wel mee doen in dit feest en 3. Iemand die geen zin heeft in een feest.
Wie hier een Gereformeerde uitverkiezingsleer wil zien moet wel bedenken dat God goeden én slechten uitnodigt en dat het uiteindelijk aan de gelovige zélf is of hij mee wil doen. Deze verantwoordelijkheid staat haaks op de gedachte dat deze keuze al vóór de schepping bepaald is. Ik moest ook terugdenken aan mijn eigen bruiloft in 2019, waarbij het Heilig Avondmaal werd gevierd en kerkelijke en onkerkelijke gasten aan deelnamen, maar alle Gereformeerde Bonders bleven zitten.
De witregels zijn gebaseerd op overgangen in de dramatiek. Het is wel duidelijk één verhaal, met een kortere parallel in Lucas 14,15-24.
Vertaling
Exegetische kanttekeningen
In vers 12 bereikt het verhaal zijn dramatische hoogtepunt: waarom wijkt deze persoon af? Het verhaal suggereert dat de alle gasten van de straat geplukt zijn en dat niemand zich heeft kunnen voorbereiden op de uitnodiging. Toch heeft iedereen feestelijke kleding aan. Werden die bij de ingang uitgereikt? Kennelijk is het hier een bewuste keuze om niet mee te doen en dat wordt de persoon zwaar aangerekend. De vraag komt op: zijn kerkgangers ook feestgangers? Worden zij enthousiast van de woorden van Jezus of laten ze de konig zijn eigen feestje maar vieren. De parallel bij Lucas mist de ʻvermoorde dienaren’ en de ʻweigeraar’ en de straf van de koning. Het heeft er daarom alle schijn van dat de Matteüs versie is geschreven na AD 70, als Jeruzalem een plaats is gewordenvan gejammer en tandengeknars als vergelding voor het niet deelnemen aan de bruiloft van de koning.