Matteüs 22,1-14

Inleiding

Dit verhaal volgt op de intocht in Jeruzalem en een aantal verhalen over naderend onheil voor wie niet meegaat in het verhaal van Jezus: de vijgenboom verdort en de pachters (religieuze leiders in Jeruzalem) houden de opbrengst van de wijngaard voor zichzelf: het zal slecht met ze aflopen.

 

De koning wordt geconfronteerd met drie typen ʻonderdanen’: 1. De traditionele genodigden, die geen boodschap hebben aan zijn uitnodiging voor het feest. Waarschijnlijk is daarmee de Joodse clerus bedoeld, die zich in hoofdstuk 21 nadrukkelijk van Jezus distantieert. 2. De slechte en goede mensen die niet tot de traditionele genodigden behoren (niet-Joden?) maar wel mee doen in dit feest en 3. Iemand die geen zin heeft in een feest.

 

Wie hier een Gereformeerde uitverkiezingsleer wil zien moet wel bedenken dat God goeden én slechten uitnodigt en dat het uiteindelijk aan de gelovige zélf is of hij mee wil doen. Deze verantwoordelijkheid staat haaks op de gedachte dat deze keuze al vóór de schepping bepaald is. Ik moest ook terugdenken aan mijn eigen bruiloft in 2019, waarbij het Heilig Avondmaal werd gevierd en kerkelijke en onkerkelijke gasten aan deelnamen, maar alle Gereformeerde Bonders bleven zitten.

 

De witregels zijn gebaseerd op overgangen in de dramatiek. Het is wel duidelijk één verhaal, met een kortere parallel in Lucas 14,15-24.

Vertaling

1
Daarop1 sprak Jezus als antwoord opnieuw een gelijkenis tot hen:

2
Het Koninkrijk der hemelen is gaan lijken2 op een menselijke koning,
die een bruiloftsfeest voor zijn zoon bereid had.

3
en hij stuurde zijn dienaren eropuit
om de genodigden voor de bruiloft bijeen te roepen.
 
Maar zij wilden niet komen.

4
Daarna stuurde hij andere dienaren op pad met de boodschap:
Zeg tegen de genodigden:
Zie, ik heb het feestmaal klaargezet,
ik heb mijn stieren en mestvee geslacht,
en alles staat klaar;
kom naar de bruiloft!

5
Maar zij negeerden hen en vertrokken,
de een naar zijn eigen akker,
de ander naar zijn handel.

6
de rest greep zijn dienaren vast
en mishandelde en vermoordde hen.

7
De koning ontstak in woede [toen hij dat hoorde3].
Hij stuurde zijn legers eropaf,
bracht die moordenaars om het leven
en stak hun stad in brand.
 

8
Vervolgens zei hij tegen zijn dienaren:
Alles staat klaar voor het bruiloftsfeest,
maar de genodigden waren het niet waard

9
Ga daarom naar de toegangswegen van de stad
en nodig iedereen die je tegenkomt uit voor het bruiloftsfeest.

10
Toen die dienaren vertrokken waren naar de wegen
verzamelden ze iedereen die ze konden vinden:
zowel slechte als goede mensen
en de bruiloft(szaal) raakte vol met mensen die aanlagen.
 

11
Toen de koning binnenkwam om te zien wie er allemaal aanlagen
zag hij daar iemand die geen bruiloftskleding aan had

12
en hij vroeg hem:
Gast4, hoe ben jij hier binnengekomen
zonder dat je een bruiloftskleed aan hebt?
Hij zweeg.

13
Toen zei de koning tegen de bedienden:
Nadat je zijn handen en voeten hebt gebonden
moeten jullie hem eruit gooien, in de buitenste duisternis;
daar zal gejammer zijn en tandengeknars.

14
Want velen zij uitgenodigd,
maar weinigen zijn uitgekozen.

Exegetische kanttekeningen

In vers 12 bereikt het verhaal zijn dramatische hoogtepunt: waarom wijkt deze persoon af? Het verhaal suggereert dat de alle gasten van de straat geplukt zijn en dat niemand zich heeft kunnen voorbereiden op de uitnodiging. Toch heeft iedereen feestelijke kleding aan. Werden die bij de ingang uitgereikt? Kennelijk is het hier een bewuste keuze om niet mee te doen en dat wordt de persoon zwaar aangerekend. De vraag komt op: zijn kerkgangers ook feestgangers? Worden zij enthousiast van de woorden van Jezus of laten ze de konig zijn eigen feestje maar vieren. De parallel bij Lucas mist de ʻvermoorde dienaren’ en de ʻweigeraar’ en de straf van de koning. Het heeft er daarom alle schijn van dat de Matteüs versie is geschreven na AD 70, als Jeruzalem een plaats is gewordenvan gejammer en tandengeknars als vergelding voor het niet deelnemen aan de bruiloft van de koning.

Noten

Scroll naar boven