Matteüs 15,21-28
- Vierdag: 16-8-2026, 9e van de zomer
- Boek: Matteüs
- Perikoop: Matteüs 15,21-28
- Vertaler: Willemien Roobol
Vertaling
21
Nadat Jezus van die plaats was weggegaan,
week hij uit naar de streek van Sidon en Tyrus.
22
En zie,
een Kanaanitische/ Kananese vrouw, afkomstig uit die streken
schreeuwde en zei:
’Erbarm je over mij, Heer, zoon van David,
Mijn dochter is op een kwade manier bezeten.’
23
Hij echter antwoordde haar geen woord.
Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen:
‘Laat haar toch weggaan, want ze schreeuwt achter ons aan’.
24
Hij antwoordde en zei:
‘Ik ben slechts uitgezonden naar de verloren geraakte schapen van het huis Israel’.
25
Zij kwam en knielde voor hem, zeggend:
‘Heer, help mij!’
26
Hij antwoordde en zei:
’Het is niet mooi om het brood van de kinderen te nemen
en voor de honden te werpen’
27
Zij echter zei:
‘Maar, Heer, ook de honden eten van de kruimels, die vallen van de tafel van hun heren’
28
Toen antwoordde Jezus en zei haar:
’Oh, vrouw, groot is jouw vertrouwen.
Dat jou mag geschieden, zoals je wilt’.
En haar dochter werd genezen vanaf dat moment/uur.
Opmerkingen
Opmerking bij de vertaling van vers 21:
Vers 21 – ‘uitwijken’ (Grieks: anachoreo) wordt door Breukelman als terugkerend thema gezien in het Matteüsevangelie vanaf de geboorte van Jezus tot aan zijn opgang naar Jeruzalem (Matteüs 2,12-24 en 2, 22; Matteüs 4,12; Matteüs 9,24 (andersoortig gebruik); Matteüs 12,15; 14,13; 15,21; Matteüs 27,5 (andersoortig gebruik).
Algemene achtergrond bij dit gedeelte:
- De contekst in Matteüs is een gesprek met de Farizeeen (Matteüs 15, 10-20) over reinheid en onreinheid en over handen wassen bij het eten van brood. Dit gesprek vindt plaats na de eerste broodvermenigvuldiging (Matteüs 14, 13-21).
- Matteüs 15, 21-28 heeft een synoptische variatie in Marcus 7, 24-30. Het gaat daarin om hetzelfde verhaal met andere geografische aanduidingen van gebied en afkomst van de vrouw. Matteüs heeft het gesprek tussen Jezus en de vrouw uit Marcus verder uitgewerkt. In Matteüs 15, 21-28 gaat het om het gebied van Sidon en Tyrus en om een Kanaanese of Kanaanitische vrouw. Sidon herinnert aan koningin Izebel in I Koningen 16, 31 (dochter van de Sidonische koning). In de Torah wordt gewaarschuwd voor huwelijken met Kanaanese of Kanaanitische vrouwen (Deuteronomium 7, 1-6). In Marcus 7, 24-30 gaat het om Tyrus en om een Griekse, Syro-foenisische vrouw.
- In beide gevallen worden de vrouwen beschouwd als ‘heidenen’, zoals blijkt uit de door hen zelf gebezigde term ‘honden’ (vers 26 in Matteüs 15, vers 28 in Marcus 7). “Honden’ staan voor de heidenen, die andere goden aanbidden. Die andere goden hebben vaak te maken met vruchtbaarheid, rijkdom, winnen, de grootste willen zijn en macht verkrijgen.
- Vers 26: het brood herinnert aan de eerste broodvermenigvuldiging (Matteüs 14, 13-21), waarvan de getallen duiden op het volk Israel. Na dit verhaal, dat een kantelpunt is, zal de tweede broodvermenigvuldiging plaatsvinden (Matteüs 15, 29-39), waar de getallen wijzen op de hele mensheid. Dit verhaal markeert een verschuiving van de ‘doelgroep’ van Jezus.