Matteüs 13,44-52

Inleiding

Deze perikoop vormt het slot van Matteüs’ gelijkenisrede. De rede is gericht tot de massa’s (13,2), dit slot (vanaf 13,36) tot de leerlingen. Zij zijn ook in 13,18 al degenen die uitleg van de gelijkenissen krijgen. In de eerste gelijkenis, van de zaaier, is het verschil tussen het langs de weg gezaaide en wat in goede aarde is gevallen in Jezus’ uitleg omschreven als ‘gehoord en niet begrepen’ tegenover ‘gehoord en begrepen’. Hier aan het slot zeggen de leerlingen op Jezus’ vraag of zij dit alles hebben begrepen ‘ja’. Dat levert een schriftgeleerde op die leerling in het koningschap van de hemel is geworden, en daarom uit zijn schat nieuwe en oude zaken naar voren brengt. In de traditie van het joodse leerhuis, waar iedereen altijd ook leerling is, heet zo’n actuele uitleg van oude teksten met enige regelmaat ‘een parel’, die in onze perikoop in vs. 45 v. voorkomt. Samen met de akker uit vs. 44, waarvan Jezus in 13,38 bij de uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen het koren zegt, dat die akker de wereld (κοσμος) is, en de oever van vs. 48, die in 13,2 de plaats is vanwaar de massa’s naar Jezus luisteren, roept dat de vraag op, of en hoe in deze laatste drie gelijkenissen de hele gelijkenisrede wordt samengevat.

Vertaling

44
Het koningschap van de hemelen is gelijk aan een schat1, verborgen2 in een akker3,
die een mens vindt en verbergt,
en in zijn vreugde gaat hij heen
en verkoopt4 alles wat hij heeft
en koopt die akker.
45
Verder is het koningschap van de hemelen gelijk aan een koopman5
die goede6 parels7 zoekt
46
en wanneer hij een heel waardevolle parel vindt
alles wat hij heeft gaat verkopen8
en hem koopt.
47
Verder is het koningschap van de hemelen gelijk aan een sleepnet
dat in zee geworpen wordt en van allerlei soort bijeenbrengt,
48
en ze wanneer het vol is op de oever9 ophalen
en gaan zitten en het goede10 bijeenbrengen in vaten,
maar het rotte eruit gooien.
49
Zo zal het zijn bij de voltooiing van de wereld11:
de boden zullen uitgaan
en de slechten afzonderen uit het midden van de rechtvaardigen
50
en ze zullen hen in de vurige oven werpen12;
daar zal geween zijn en tandengeknars.13
51
Begrijpen14jullie dit alles?
52
Ze zeggen tegen hem:
ja15.
53
Hij zei tegen hen:
daarom is iedere schriftgeleerde16 die leerling is geworden17 van het koningschap van de hemelen
gelijk aan een huisheer
die uit zijn schat nieuwe en oude18 zaken naar voren brengt19

Exegetische kanttekeningen

  1. Matteüs 13, de gelijkenisrede, is na de bergrede (hfst. 5-7) en de zendingsrede (hfst. 10) de derde van de vijf grote redes van Jezus bij Matteüs (hierna volgen nog de gemeenterede in hfst. 18 en de eschatologische rede in hfst. 24-25).
  2. Deze rede volgt direct op Jezus’ uitspraak, dat al wie de wil van zijn vader in de hemel doet, zijn broer en zus en moeder is. Direct na deze rede volgt de keerzijde (?) daarvan in 13, 53-58, dat een profeet in zijn vaderstad niet geëerd is, want opgesloten in één-van-ons=net-als-wij. Uit die beklemmende vertrouwdheid maken deze gelijkenissen zich los. Zie ook 11, 12: vanaf de dagen van Johannes de doper tot nu breekt het koningschap van de hemelen door. Dat is wat we in deze gelijkenissen zien gebeuren.
  3. De rede bestaat uit twee grote gelijkenissen (de zaaier en het onkruid tussen het koren), beide met uitleg, twee keer twee kleine (mosterdzaadje en zuurdesem, schat in de akker en parel), en een afsluitende, weer iets uitvoeriger, ook met uitleg.
  4. De twee grote gelijkenissen en de eerste twee kleine zijn gericht tot de massa’s (zie vs. 2 en vs. 34), de uitleg van beide grote gelijkenissen (vs. 10-23 en vs. 37-43) en de laatste twee kleine gelijkenissen en de afsluitende tot de leerlingen.
  5. De twee kleine gelijkenissen in deze perikoop zijn qua thema verwant met de eerste twee: net als de verborgen zuurdesem het hele meel doorzuurt maakt de verborgen schat de hele akker waardevol, en net als het kleinste zaadje een hele boom in zich draagt bevat die enkele parel alle waarde.
  6. De schat in de akker is enerzijds verbonden met de voorafgaande uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen het koren – de akker is de wereld, staat er in vs. 38 – en anderzijds met het slot van deze perikoop – de schat waaruit de schriftgeleerde leerling van het koningschap van de hemel nieuwe en oude zaken naar voren brengt.
  7. De kostbare parel hangt wellicht samen met de nieuwe zaken die die schriftgeleerde leerling naar voren brengt – zie noot 7.
  8. De eerste twee kleine gelijkenissen, van het mosterdzaadje en de zuurdesem, kun je lezen als toelichting bij het onderscheiden van onkruid en koren in de voorafgaande gelijkenis: onderschat niet wat klein is, en let op het effect ook al kun je de oorzaak niet vinden. Zou je deze twee laatste kleine gelijkenissen kunnen lezen als een toelichting op hoe die ‘rechtvaardigen stralen als de zon in het koningschap van hun vader’ (vs. 43)? De eerste wijst erop, dat die stralende rechtvaardigheid de hele wereld op het oog heeft, de tweede hoe dat hele perspectief in één schat samengebald kan zijn. Vgl. de rabbijnse traditie, dat wie van één mens het leven redt, de wereld redt.
  9. Zoals je de eerste gelijkenis, van de zaaier, kunt lezen als een introductie op al deze gelijkenissen – waar het begrip ontmoet levert dat zoveel op, dat het de moeite van al het onbegrip of erger waard is – zo kun je de laatste gelijkenis, van het sleepnet, lezen als een conclusie: met deze veelheid van beelden, hier en daar ook onderling verbonden, wordt van alles opgeroepen. Wat daarvan wel en niet bruikbaar is, blijkt op de oever, waar de massa’s aan het begin stonden.
  10. Wie zijn die boden, die dat onderscheid tot stand brengen?
  11. Waar de uitleg van de gelijkenis van het onkruid tussen het koren eindigt met de stralende rechtvaardigen (vs. 43), eindigt deze gelijkenis met de directe vraag aan de leerlingen, of ze dit alles (!) hebben begrepen – het beslissende kenmerk van wat in goede aarde is gevallen (vs. 23).
  12. Dat de leerlingen ‘ja’ zeggen is misschien meer hopen dan weten (zie noot 15). Wat mij betreft de grootste verrassing, maar ook een aanmoediging.
  13. Wie is die ene schriftgeleerde (die hoopt dat er meer komen – ‘iedere’) die leerling is geworden van het koningschap?
  14. Het nieuwe van deze bijzondere schriftgeleerde maakt het oude niet achterhaald maar actueel.
  15. Vurige oven, duisternis, geween en tandengeknars zijn deels tegenstrijdige (hoe kan vuur duister zijn?) kenmerken van wat zowel loutering als verwerping is. In de joodse traditie over dodenrijk (sjeol) en hel (gehinnom) houden twee tegenstrijdige overwegingen elkaar in beweging: God schrijft niemand voorgoed af en alle oordeel is altijd oproep tot omkeer vs. sommige dingen kunnen echt niet. Zie Strack-Billerbeck IV,2 p.1016-1165 – de grote hoeveelheid tekst illustreert m.i. vooral de onopgeefbare tegenstrijdigheid).

Noten

Scroll naar boven